Steve De Roovere
INDEX FESTIVALS 26ste BRUSSELS INTERNATIONAAL FESTIVAL VAN DE FANTASTISCHE FILM
De 26ste editie van het Brussels International Festival of the Fantastic Film zit er helaas weer op. Het was opnieuw een uitstekende editie met een interessante en goed gevulde affiche. Misschien zelfs een beetje teveel van het goede, want het wordt elk jaar moeilijker kiezen tussen de geweldige premières of de vele interviewsessies met cast- en crewleden na de vertoonde films. Voor wie enkel films ging bekijken of helemaal schitterde door afwezigheid, brengen we een verslag van enkele Q&A-sessies.
Naar aanleiding van de 25ste verjaardag van Michael Mann’s cultklassieker The Keep, werd hoofdrolspeler Jürgen Prochnow uitgenodigd als eregast van het 26ste Brussels International Festival of the Fantastic Film. Net voor de vertoning van Diary Of The Dead werd Prochnow op het podium geroepen om naar goede BIFF-traditie geridderd te worden in De Orde van de Raaf. Hoewel de Duitse acteur niet inging om de aansporingen van het enthousiaste publiek om een liedje te zingen, was hij oprecht dankbaar voor al dat fraais.
Na de vertoning van de zwakke vijfde episode in George A. Romero’s Dead-reeks was er een vraag -en antwoordsessie in de hoofdzaal met Jürgen Prochnow. De karakteracteur uit toppers zoals Das Boot, Beverly Hills Cop II en recent nog The Da Vinci Code liet een ingetogen indruk na toen hij vertelde over de start van zijn carrière. Het werd al snel duidelijk dat hij opnieuw smacht naar een iconische filmrol zoals die in Das Boot, nog steeds zijn beste en meest belangrijke rol in zijn filmografie. Wanneer de interviewer polste naar een reactie op het plotse overlijden van Anthony Minghella, vertelde Prochnow dat hij sinds de opnames van The English Patient graag nog eens had samengewerkt met de cineast. Hij noemde het overlijden “een tragisch verlies van een goede vriend.”
De interviewer vroeg hem daarna waarom zoveel Europese acteurs en cineasten (zoals ondermeer Paul Verhoeven) terug naar hun thuisland trekken om films te maken: “Is dit omdat ze misschien in hun thuisland meer creatieve vrijheid krijgen?” Maar de acteur gaf de gevatte repliek dat hij niet in naam van anderen kon spreken. Verder erkende hij het typecasting-fenomeen als Europeaan: toen hij in de tweede Beverly Hills Cop slechterik Maxwell Dent had vertolkt, werd hij daarop vooral benaderd om opnieuw de bad guy te portretteren. Tenslotte vertelde Prochnow nog even hoe het is om samen te werken met grote regisseurs zoals David Lynch (“Een vakman!”) of Uwe Boll te werken. Gelukkig erkende de acteur trouwens lachend de bedenkelijke kwaliteit van House Of The Dead. Een applaus barstte los, waarna een resem fans geduldig gingen aanschuiven voor foto’s en handtekeningen.
De Q&A-sessie met regisseur Neil Marshall ging er nog stukken gemoedelijker aan toe. De cineast werd dankzij Dog Soldiers en uiteraard The Descent kind aan huis van het Brussels International Festival of the Fantastic Film. Om dat nog extra te onderlijnen bracht hij zijn kersverse vrouw Axelle Carolyn Marshall mee. Zij is een Brusselse van afkomst en bovendien zelf sinds jaren een vaste bezoekster van het festival. In Doomsday, de nieuwste film van haar man, maakt ze een kort optreden en verzorgt ze mee de speciale make-upeffecten. De sessie trok een boel volk, en toen Marshall de aftrap gaf door te stellen dat de film speciaal voor de genrefans is gemaakt, barstte er een daverend applaus los! Marshall ging verder dat hij entertainment wilde afleveren, ontdaan van al te veel betekenisvolle onderliggende lagen of boodschappen. Wanneer de interviewer naar reacties rond de sterke genrecast peilde, vertelde de sympathieke Brit dat hij al een enorme fan was van Bob Hoskins door The Long Good Friday. Een beetje eigenaardig, omdat deze acteur eigenlijk echt faam maakte in komisch familiewerk zoals Who Framed Roger Rabbit en Hook. "Macolm McDowell maakte vorig jaar een comeback met Halloween, dus het was een mooie bonus dat deze toehapte voor Doomsday!”, aldus Marshall. Over Halloween gesproken, de interviewer polste of het huwelijk van het kersverse koppel niet voltrokken werd in monsterkostuums (Marshall en Carolyn stapten op 31 oktober 2007 in het huwelijksbootje). “Helaas niet”, schaterde de regisseur, “maar de huwelijkstaart werd wel aangesneden met een immense meat cleaver!”.
Daarna ging hij verder over het maken van Doomsday, terwijl zijn knappe vrouw tussendoor enkele vragen rond de knappe make-up uit de film beantwoordde. Het was opvallend hoe de vragen uit het publiek steevast over The Descent handelden. Wanneer iemand bij Marshall polste naar de status van de geplande sequel, gaf deze grif toe dat deze weinig tot niets met het vervolg te maken had. Wel liet de regisseur zich ontfutselen dat hij de werktitel The De2cent enorm cheesy vond. Een vrouw uit het publiek merkte op dat de wolven in Dog Soldiers Schotten zijn en dat ook de schurken in Doomsday van Schotse afkomst zijn. Regisseur Marshall verzekerde het publiek echter al grijnzend dat hij helemaal geen woede of wrok koestert tegenover de Schotten. De handtekeningensessie na de Q&A-sessie was een groot succes en ondanks zijn hongerige maag nam de goedlachse horrorcineast rustig de tijd voor zijn fans.
Elk jaar programmeren de organisatoren een echte partyflick, een prent die onmiddellijk door het publiek wordt omarmd voor zijn enthousiaste en dikwijls dolgedraaide mix tussen sappige horror en van de pot gerukte humor. Jack Brooks: Monster Slayer is er zo één, en ondanks het late uur bleven heel wat filmfans in de hoofdzaal rondhangen voor de geplande vraag –en antwoordsessie na de vertoning. Freddy Bozzo, de joviale organisator van het BIFF, deelde eigenhandig originele Amerikaanse strips ter promotie van de film uit aan het publiek. De zeer sympathieke gasten, zijnde hoofdrolspeler/producent Trevor Matthews en producent Patrick White, waren overduidelijk genreliefhebbers. Ze gaven onmiddellijk toe dat ze Jack Brooks: Monster Slayer hadden gemaakt onder invloed van horrorklassiekers als The Evil Dead, Army Of Darkness, Braindead, maar ook bijvoorbeeld Big Trouble In Little China. Wanneer iemand uit het publiek ze erop wees dat het monster uit de film toch wat weg heeft van Jabba The Hutt, repliceerde White dat hij zonder Star Wars nooit op de filmschool had gezeten en er helemaal geen Jack Brooks: Monster Slayer zou geweest zijn.
Daarna polste de interviewer hoe het was om met de populaire horroracteur Robert Englund te werken. Matthews en White bleken beiden enorme fans van de klassieker Nightmare On Elm Street fans en hadden tijdens het schrijven voor de monsterachtige hoofdrol dan ook niemand anders dan Englund voor ogen. Englund was onmiddellijk weg van de mix tussen klassieke monsterhorror en humor, en toen hij effectief toestemde was het een droom die in vervulling ging. “Robert Englund is fantastic!”, zeiden de heren bijna in koor, waarop White vertelde dat hij het was die hen had aangeraden om hun film te testen voor het geweldige publiek van het BIFF. Opnieuw barstte een luid applaus los in de hoofdzaal. White vertelde nog dat Englund er niet kon bij zijn omdat hij volop bezig is met de opnames van een nieuwe film die hij zelf regisseert (The Vij). Maar hij zei ook meteen dat de levendige reacties van het publiek hem zeker deugd hadden gedaan. Trevor Matthews pikte hierop in dat je na maanden monteren in een klein, donker kamertje niet meer weet wat grappig of angstaanjagend is. Om die reden vindt hij festivals zoals het BIFF erg nuttig: “It’s nice to finally see what works with an audience!”
Iemand uit het publiek vroeg nog hoe ze op de titel van hun film waren gekomen. De makers zeiden te beseffen dat de prent met Buffy: The Vampire Slayer zou worden vergeleken, maar het toch twee totaal verschillende dingen zijn. Daarom was de titel Jack Brooks: Monster Slayer al snel een feit. De interviewer zag zijn kans schoon om in hetzelfde straatje te blijven en voelt Patrick White aan de tand hoe deze tegenover een televisieserie van Jack Brooks zou staan. Daarop antwoordde de bebaarde producent al grijnzend: “We are open for all options, so call your distributors!”. De film werd al door diverse landen aangekocht zoals onder andere Polen en Duitsland, maar in België heeft deze helaas nog geen distributeur. In Amerika zal Jack Brooks: Monster Slayer uitgebracht worden door genremaatschappij Anchor Bay, en hij krijgt er zelfs een gelimiteerde bioscooprelease. Op de enthousiaste vraag of er een sequel komt, kreeg het grote publiek te horen dat het scenario zo goed als af is. De eerste film moet het ontstaan van het personage schetsen, terwijl het vervolg volgens Matthews stukken grootser zal zijn. Jack Brooks: Monster Slayer II zal – uiteraard ook afhankelijk zijn van het succes van de eerste prent. Maar Matthews wil graag ook iets maken in de stijl van Fargo en droomt al hardop van een peperdure epische prent à la Braveheart en Gladiator. Hoewel het publiek dit niet helemaal serieus leek te nemen, kunnen Matthews en White in essentie wel degelijk doen waar ze zin in hebben. Dat is het grote voordeel om onafhankelijk te werk te gaan, ver weg van bemoeizieke studio’s. Het is dan ook duidelijk dat de heren met hun in 2004 opgerichte productiemaatschappij Brookstreet Pictures niet bij de pakken zullen blijven zitten!
Om de Q&A-sessie af te sluiten vroeg de interviewer of de uitgedeelde strips enkel ter promotie waren, of of er misschien nog nummers zouden volgen. Matthews antwoordde dat er in de toekomst nog veel mogelijk is, maar dat ze voorlopig alleen ter promotie gedrukt zouden worden.
Het was een uitermate geslaagde Q&A, omdat de twee enthousiaste en oeverloos ambitieuze filmmakers nog niet door Hollywood bezoedeld zijn. Trevor Matthews en Patrick White maakten een kort praatje met elke fan, gingen gewillig op de foto en zetten zonder morren hun poot op affiches, filmtickets en de uitgedeelde strips. Omdat we zwaar onder de indruk waren van de heerlijk sappige make-upeffecten, compleet gespeend van enige CGI, gingen ook wij even een kort praatje met de heren maken om te ontdekken met hoeveel geld de film gerealiseerd was. Terwijl de goedlachse Matthews duidelijk van de fysieke kant hield van zijn langspeelfilmdebuut (“These muscles are real!”), liet White ons weten dat het budget 2,5 miljoen Canadese dollar was.
Ook erg de moeite was de sessie met de legendarische horrorregisseur Stuart Gordon, die na de geweldige en sfeervolle vertoning van Stuck werd gehouden. Toen de regisseur verscheen beloonde een massa volk de man met een oorverdovend handgeklap. Gordon, die zichtbaar genoot van de aandacht, zei daarop het BIFFF-publiek zonder meer boven alle andere te verkiezen. De interviewer gaf de aftrap met een vraag hoe Gordon aan zijn cast kwam. Mena Suvari en de maker van Re-Animator hadden al eerder samengewerkt aan Edmond (2005), en de knappe actrice wilde zo graag terug met Gordon werken dat ze de regisseur zelf contacteerde voor Stuck. Stuart Gordon is duidelijk een fan van Stephen Rea en vertelde met het nodige lof over diens vertolkingen In The Company of Wolves en uiteraard in The Crying Game. Wanneer Gordon echter liet vallen dat Rea nog nooit slecht werk had afgeleverd, krulden onze tenen. Even wilden we The Reaping en het Jean-Claude Van Damme vehikel Until Death bovenhalen, maar we kunnen ons nog net bedwingen!
Gordon ging verder en zei dat Rea een trooper is omdat hij drie weken had doorgebracht in de bewuste voorruit. Hilariteit alom in de zaal toen de filmmaker vertelde dat Stephen Rea telkens een antwoord klaar had toen Gordon hem vertelde nog even vol te houden, in de zin van: “Het echte slachtoffer heeft maar drie dagen in de voorruit vast gezeten, terwijl ik het al drie bloody weken aan mijn been heb!”. De regisseur ging verder dat de film gebaseerd is op waargebeurde feiten en dat vooral de eerste helft enorm accuraat is. Zo was de dader in het echte leven eveneens een verpleegster. Alleen in het tweede stuk van Stuck heeft onze Stuart zich wat filmische vrijheid gepermitteerd, met als voornaamste verschil uiteraard dat het voor het slachtoffer allemaal heel wat minder rooskleurig afliep.
Iemand uit het publiek vroeg Gordon of hij door het succes van Transformers geen zin had gekregen om een remake van Robot Jox te maken. De Amerikaan repliceerde: “That movie nearly killed me!” Hij vond het leuk om te zien hoe ze er bijna twintig jaar over hadden gedaan om een nieuwe film met torenhoge robotten in de hoofdrol te maken. Het zou volgens de regisseur natuurlijk leuk zijn om Robot Jox te maken met de hedendaagse effecten, maar liever besteedt hij zijn energie aan een nieuw project. Iemand anders uit het publiek vroeg zich af hoeveel Stuck gekost had, waarop Gordon de fans meedeelde dat hij de film had ingeblikt in 22 draaidagen, voor 3,5 miljoen dollar. In Amerika krijgt de film een gelimiteerde bioscooprelease en Gordon hoopt dat dit ook het geval zal zijn in het kleine België.
Een duidelijk enthousiaste Re-Animator-fan polste even naar de status van de vierde film (werktitel: House Of Re-Animator) in de populaire horrorfranchise, die door Gordon in 1985 gestart werd. De sympathieke cineast vertelde dat hij en de producenten het project hadden proberen te financieren, maar dat verschillende geldschieters bang waren dat de film de Bush-administratie voor paal zou zetten. Spijtig, want het was leuk geweest om nog eens met de volledige originele crew te werken (Jeffrey Combs, Bruce Abbott en Barbara Crampton). De zichtbaar teleurgestelde fan vroeg of er dan ooit nog een vierde film zal gemaakt worden, waarop Gordon zich even in politiek getint vaarwater begaf met de gepeperde uitspraak: “Maybe we make one in the future, bet let’s hope it won’t be necessary and that we get a better president!”. Een man uit het publiek wou tenslotte nog snel weten of Mena Suvari haar stuntwerk allemaal zelf had gedaan, wat Gordon volmondig kon beamen.
Daarna viel de aankondiging dat iedereen mocht aanschuiven voor handtekeningen en/of foto’s met de filmmaker. Aan de lange rij (en grote hoeveelheid interessante vragen uit het publiek) werd duidelijk dat Stuart Gordon nog steeds erg populair is onder de genrefans.
Al wie ooit eens op het BIFF aanwezig was zal de kreet “Chanson!” wel kennen. Hiermee probeert het BIFFF-publiek de gast, die dikwijls gewoon braafjes zijn film wil komen voorstellen, aan te zetten tot het aanheffen van één of ander lied. Dit is ondertussen uitgegroeid tot een jaarlijkse traditie en hoewel er de voorbije jaren enkel maar een handjevol dappere zielen bereid werd gevonden om een muzikale klassieker al dan niet te verkrachten, viel het op hoe heldhaftig de cineasten, producenten, acteurs en actrices ondertussen geworden zijn. Niet alleen werden er op de 26ste editie veel meer gasten bereid gevonden om zich eens goed te laten gaan, af en toe werden er zelfs heuse medleys, hilarische choreografieën en zelfgeschreven werk boven gehaald! Acteur Jürgen Prochnow kon helaas helemaal niet worden overhaald,maar regisseur Neil Marshall (Doomsday) maakte dat meer dan goed en bracht een lichtjes aangepaste versie van Yesterday ten berde. Schrijver/regisseur David Howard (Flick), samen met een heel wat anderen (waaronder producent Rick Hall) brachten op enthousiaste manier Teenager In Love letterlijk tot leven.
Niets kon echter op tegen de ambiance die Franse actrice Karina Testa (Frontiere(s)) en Xavier Gens teweegbrachten. De knappe actrice was aanvankelijk wat bedeesd en probeerde haar ervan af te maken door regisseur Gens te verslijten als een geweldige zanger, maar onder luid applaus gingen ze beiden overstag met een geweldig gebracht Frans kinderliedje. De zaal ging zo uit haar dak, dat ze de smaak te pakken hadden en als bisnummer het liedje nog eens brachten! De excentrieke Japanse cineast Sion Sono (Exte: Hair Extensions) deed eveneens een straffe en geslaagde poging om de zaal op zijn kop te zetten met een Japans nummer uit de film. De ambiance bleef zelfs tijdens de vertoning nog hangen, zodat de halve zaal spontaan begon mee te zingen en mee te klappen toen het nummer voorbij kwam. Trevor Matthews en producent Patrick White hebben de toonvastheid van La Esterella, maar dat kon de pret niet drukken. Met zwier en jeugdig enthousiasme zongen de twee heren Frank Sinatra’s gouwe ouwe Somewhere Beyond the Sea.
Wanneer Stuart Gordon (Stuck) op het podium kwam en aangespoord werd om een lied te zingen, leek hij eerst niet overstag te gaan. Enkele jaren geleden liet het publiek om de één of andere reden (wij waren toen aanwezig, maar sla ons dood waarom dat precies was) zijn song niet afmaken. Onder de voorwaarden dat hij zijn lied dit keer mocht afmaken en begeleid werd door een knappe dame op het podium, ving Gordon een zelfgeschreven creatie aan. Het geheel klonk zo vals als een kat, maar de cineast kende zijn publiek. Zijn bloeddoorlopen tekst liet een golf van dolle pret door de zaal schieten en de sfeer zat er goed in voor zijn film. En voor de geïnteresseerden: dit keer mocht hij zijn volledige minutenlange creatie uitzingen. Driewerf hoera!
Planeet Cinema is een online filmmagazine. We bekijken films zonder grenzen: oud of nieuw, populair of obscuur.
We geven graag nieuw schrijftalent de kans om online te publiceren.
Planeet Cinema beschikt over een uitgebreid archief van meer dan 6.000 artikelen sinds 1993.
HOME
RECENSIES
ACHTERGRONDEN
FESTIVALS
KLASSIEKERS
Pablo Larraín maakte naam met zijn opmerkelijke Pinochet-trilogie Tony Manero – Post Mortem – No. Debuteren als regisseur deed hij in 2006 met Fuga, een film die vooral opvalt omdat hij zo verrassend onopvallend en braaf is. Hij is zonder twijfel degelijk gemaakt maar mist de urgentie, originaliteit en intensiteit van Larraíns latere werk.
>>>
‘El Unico Clasico del Cine Chileno’ staat te lezen op de DVD-hoes van Azul y Blanco. Aan valse bescheidenheid heeft niemand iets maar de marketingman die het in zijn bol kreeg de zelfverzekerde slogan te koppelen aan deze miskleun van een film heeft dringend professionele hulp nodig.
>>>
Patricio Guzman is een filmmaker die als geen ander verbonden is met de moderne geschiedenis van Chili. Hij werd bekend met zijn epische en gelauwerde documentaire La Batalla de Chile. Een kroniek van de periode dat Salvador Allende aan de macht kwam tot aan de coup van 1973.
>>>
Agressieve agenten slaan met wapenstokken in op burgers. Tanks rollen door de straten. Mensen worden weggevoerd. Enge muziek. Als het filmpje is afgelopen, wachten leiders van de Chileense oppositie op de reactie van René Saavedra, reclameman. ‘Ik denk dat dit niet verkoopt’, zegt hij. Ontsteltenis alom. Weet hij dan niet hoe schurkachtig het regime is? Natuurlijk weet hij dat, maar als je wilt dat mensen voor jou stemmen, dan moet je het anders aanpakken.
>>>
De Latijns-Amerikaanse cinema is de laatste tientallen jaren gedomineerd door Argentinië, Brazilië en Mexico. In de schaduw heeft Chili zich ontwikkeld tot een minstens even boeiend en verrassend filmland. Het blijft voorlopig een goed bewaard geheim omdat de meeste films het commerciële circuit in Europa niet halen. Op filmfestivals gooien ze wel hoge ogen en winnen ze steeds belangrijkere onderscheidingen.
>>>
Een debutant kan je Dustin Hoffman bezwaarlijk noemen. De meermaals gevierde acteur van onder meer The Graduate, Kramer versus Kramer, Tootsie en Rain Man is ondertussen 75 jaar maar met Quartet maakt hij zijn debuut als regisseur. Daarvoor kon hij een beroep doen op een resem Britse steracteurs op leeftijd en een sterke theatertekst.
>>>
A-Film