Meteen naar de tekst springen
Island Pictures / Polygram Filmed Entertainment

INDEX >> ACHTERGRONDEN >> JAN VERHEYEN OVER THE LITTLE DEATH

JAN VERHEYEN OVER THE LITTLE DEATH
“Ik geloofde heilig dat het geweldig zou worden”

 

Jos Wolffers | 09/07/2010


Share/Bookmark

Jan Verheyen is een van de bekendste filmregisseurs van Vlaanderen en niet meer weg te denken uit het Vlaamse medialandschap. Hij debuteerde in 1991 met de tienerfilm Boys, runde jarenlang een succesvolle filmdistributiemaatschappij, was heel even baas van de commerciële tv-zender VTM en draaide ondertussen de ene succesfilm na de andere, waaronder Alles Moet Weg, Team Spirit, Alias, Los en Dossier K. Maar als je zijn cv nader bekijkt, staat er tussen het arsenaal kaskrakers één film die niet op z’n plaats lijkt: The Little Death uit 1996. Gedraaid in Amerika, in opdracht van een Hollywoodstudio, met Amerikaanse acteurs en Amerikaans geld. Hoe is Verheyen daar in hemelsnaam terechtgekomen?

Wat zoekwerk brengt uitsluitsel. Eind 1994, met amper één langspeelfilm op zijn cv, werd Verheyen door productiemaatschappij Island Pictures naar de VS gehaald om daar een erotische thriller in te blikken. The Little Death moest een soort Basic Instinct worden, in het slechtste geval de nieuwe The Last Seduction. Nooit van The Little Death gehoord, zegt u? Niet verwonderlijk. De film kwam in de VS enkel op video uit en na de beperkte Belgische bioscooprelease in 1996 verdween de film weer even snel in de anonimiteit. De prent werd in onze contreien zelfs nooit op video of dvd uitgebracht. Om eerlijk te zijn is dat niet zo verwonderlijk. Het is bot gezegd een routineuze thriller die meer wegheeft van een tv-drama dan een volwaardige Hollywoodfilm. U hebt het wel eens eerder gezien: J.T. Walsh speelt een rijke zakenman met een knappe echtgenote (Pamela Gidley) en een klaploper als stiefzoon (Brent Fraser). Als het personage van Walsh door een jaloerse liefdesrivaal (Dwight Yoakam) wordt doodgeschoten, beginnen Fraser en Gidley een stomende affaire. Maar de moord is verdacht en in heuse Final Analysis-stijl komt er een rechtszaak, gevolgd door een niet onaardige, maar wat doorzichtige twist. Vervelend wordt het nooit, maar The Little Death kan zich ook niet meten met de beste films in zijn genre.

Jan Verheyen is er in elk geval niet rouwig om dat The Little Death bijna vergeten is. Geen verrassing ook. Wat voor hem begon als een unieke kans om Hollywood te veroveren, eindigde in een nachtmerrie, een opeenstapeling van rampen, ruzies en ontgoochelingen. We hebben dus lang geaarzeld om het idee voor dit verhaal aan hem voor te leggen. Want hoe vraag je aan een succesvolle regisseur om te vertellen over zijn grootste flop, gedraaid in een periode die hij ooit “de ongelukkigste tijd van mijn leven” noemde. Vijftien jaar na dato is dat leed gelukkig verwerkt. Sterker nog: als we hem vragen om aan dit artikel mee te werken, nodigt hij ons spontaan bij hem thuis uit op de koffie om in alle rust te praten. “Eigenlijk wel plezant dat jullie dit stuk maken”, grinnikt hij nog voor we goed en wel over de drempel zijn. “Dan hoef ik het niet meer te doen.”

Als we even later zijn werkkamer binnenwandelen en de filmmemorabilia bekijken die uit de enorme boekenkast puilen, valt onze blik op een paar videobanden van The Little Death uit allerlei landen. “Die heb ik ooit voor de grap gekocht”, zegt Verheyen. “Gewoon omdat het leuk is ze te hebben.” We vragen ons even af of alle rampverhalen die rond de film circuleren toch niet overtrokken zijn. Maar dan begint Verheyen te vertellen. “Je kunt je niet voorstellen hoeveel gezeik ik te verduren kreeg toen ik The Little Death aan het maken was. Echt jammer dat de film er niet naar geworden is. Middelmatigheid troef over de hele lijn. Matig script, matige acteurs. Wel een goeie affiche (lacht).”

Het begin
Voordat Jan Verheyen met The Little Death in aanraking kwam, was er nog nauwelijks sprake van een echte carrière als filmregisseur. Begin jaren 90 runde hij samen met zijn vennoot Mark Punt de succesvolle distributiemaatschappij Independent Films, op dat moment een van de weinige Vlaamse filmdistributeurs die feeling had met de snel veranderende markt. Daardoor vonden Vlaamse filmproducenten vrij snel hun weg naar Independent. In eerste instantie kochten Verheyen en Punt hun films voor distributie, later begonnen ze met het geven van voorschotten voor de eigenlijke productie. “Op die manier werden wij coproducent, en later producent”, vertelt Verheyen. “Maar omdat we vonden dat het er op de meeste Vlaamse filmsets nogal inefficiënt aan toe ging, wilden we meer controle over de productie en de budgetten.

De volgende stap, regisseren, was daar het logische gevolg van. Mark en ik zijn dan het script voor Boys gaan ontwikkelen met de tienerfilms van John Hughes of St. Elmo's Fire van Joel Schumacher in ons achterhoofd. We vonden dat er in Vlaanderen maar eens een film gemaakt moest worden over, voor en met jonge mensen. Voordat ik aan Boys begon heb ik om te oefenen wel eerst een kortfilm (A Helping Hand, nvdr.) gedraaid om te zien of het klikte met de ploeg.” Omdat Verheyen en Punt geen subsidies konden lospeuteren, besloten ze Boys dan maar helemaal zelf te financieren. “We konden ons dat permitteren omdat Independent op dat moment zeer goed draaide. Achteraf bekeken was dat een enorm risico. Het budget was omgerekend een miljoen euro en als de film was geflopt, had Independent jarenlang moeten bloeden. Gelukkig werd Boys een succes. In een periode dat Kinepolis Brussel en Metropolis Antwerpen nog niet bestonden, haalden we zo’n 300.000 bezoekers. Best straf eigenlijk.”

Uit de lucht gevallen
Tot grote verbazing van Verheyen werd Boys een tijdje later opgepikt door een Nederlandse salesagent die zei dat hij er wel iets mee kon. Hij organiseerde op de filmmarkt van Cannes een screening en gaf zelfs een Boys-feestje op de Carlton Plage. Daar kwamen heel wat geïnteresseerden op af en de film werd uiteindelijk verkocht aan een aantal landen. Op dat moment komt Ann Dubinet in beeld. Zij was salesagent voor de Amerikaanse filmstudio Island Pictures en ze had via Independent een professionele relatie met Verheyen en Punt. “Ik vond haar wel een tof mens”, zegt Verheyen. “Op een gegeven moment belde zij mij op en vertelde ze dat ze voor Island Pictures haar eerste film mocht produceren. Ze vroeg zich af of ik interesse had om te regisseren en of ze het script eens mocht opsturen. Als je me dus vraagt hoe ik in Amerika terecht ben gekomen, welnu: het aanbod kwam letterlijk uit de lucht vallen. Ik heb nooit een poging gedaan om in Amerika iets van de grond te krijgen. Ik had er zelfs nooit aan gedacht omdat ik het te absurd voor woorden vond. Maar de aanbieding om in Hollywood te komen draaien intrigeerde me wel. Trouwens, als Ann had gebeld met de vraag of ik Police Academy 7 wilde regisseren, was ik ook gegaan. Ik wilde er gewoon eens van proeven.”

Een tijdje later stuurde Dubinet het script op van The Little Death. Verheyen grijnst: “Wat ik ervan vond? Eerlijk? Ik wílde het vooral goedvinden (lacht). Vergeet niet, ik was op dat moment amper 32 jaar, wat zeker in de context van de Vlaamse filmindustrie redelijk jong was. En je overschat jezelf hè. Want ook al vond ik het script niet zo goed, toch was ik ervan overtuigd dat The Little Death mijn doorbraakfilm zou worden. Mijn Blood Simple, mijn The Last Seduction. Niemand die aan een film begint, gaat er op voorhand vanuit dat het middelmatig wordt. Nee. Je gelooft er heilig in dat het geweldig goed zal worden.”

De grote oversteek
In november 1994 neemt Verheyen voor het eerst het vliegtuig naar Los Angeles om er met de producenten over The Little Death te gaan praten. Er zijn drie producenten betrokken bij het project. Mark Burg was op dat moment de baas van Island Pictures en had de touwtjes in handen, maar het eigenlijke produceren zou worden gedaan door Ann Dubinet en Chris Zarpas, een rijke vriend van Burg die een restaurant had in Washington en verder weinig te maken had met de filmindustrie. “Hij is het type mens waar ik toen al een hekel aan had”, zucht Verheyen. “Zo'n drukdoende Amerikaan die de hele tijd aan het bellen is, je kent het wel. Mark Burg vond ik wel oké, en Ann kende ik natuurlijk al van vroeger. Ik ging er bovendien van uit dat Ann mijn vertrouwenspersoon op de set zou worden. Het zou wel lukken.” Verheyen ontmoet ook de scenaristen, het onbekende duo Nicholas Bogner en Michael Holden. Met hen kon hij een aantal passages van het script herschrijven die nog werk nodig hadden. Maar veel tijd was er niet meer, want het project had groen licht en in februari 1995 moesten de camera’s beginnen draaien.

Half januari 1995 verkast Verheyen tijdelijk naar Los Angeles. In z’n eentje. Hij installeert zich in West Hollywood in hotel Le Parc, dat gespecialiseerd is in lange verblijven. Hij heeft er een vrij ruime kamer met een keukentje. Een goede plek om rustig te werken. Het is de bedoeling er zes tot acht maanden te blijven.

Acteurs en ego's
De zoektocht naar een geschikte cast voor The Little Death verloopt vrij soepel via een traditioneel castingproces, en ondanks de budgettaire beperkingen slaagt Verheyen erin om een aantal interessante namen te strikken voor de belangrijkste rollen. “De hoofdrol werd eerst aangeboden aan Stephen Dorff, maar die wou het niet doen”, zegt hij. “Hij heeft wel wat geaarzeld, maar wellicht had hij ergens anders een beter aanbod. Ook Gabriel Macht, de zoon van Stephen Macht, is in aanmerking gekomen. Hem vond ik niet slecht, maar van alle acteurs bleek Brent Fraser uiteindelijk de beste, ook al heeft hij achteraf gezien niet zo veel charisma. Het enige nadeel was dat hij na een paar draaidagen merkte dat hij een slechte deal had gesloten met de producenten. Daardoor was hij behoorlijk nukkig. Maar op zich was hij een goeie jongen. Hij is naderhand nog naar België gekomen voor de première.”

De rol van femme fatale ging naar Pamela Gidley. “Met haar verliep de samenwerking wel vlot”, zegt Verheyen, “ook al ging ze er nog altijd van uit dat zij vroeg of laat naar the next level zou doorgroeien en een echte ster zou worden. Maar omdat dat op dat moment nog altijd niet was gelukt, was ze redelijk gefrustreerd. Een bijkomend probleem was dat ze niet naakt kon in de seksscènes. Ze had ooit een borstoperatie ondergaan en had dus een heel lelijk litteken. Dat wisten we gelukkig op voorhand, en we zouden van begin af aan met een body double werken. De laatste seksscène tussen Gidley en Fraser hebben we zelfs moeten draaien met twee body doubles (lacht). Ook Brent Fraser was namelijk niet in vorm, zijn lijf was nogal pappig, ook al had hij voor de opnames netjes beloofd te gaan fitnessen. Dat hebben we dan maar opgelost door er een strakke gast met een mooi lijf bij te halen.”

Van de grootste coup in de casting was Verheyen zich niet eens bewust. Dwight Yoakam was op dat moment gewoon een zanger die wilde gaan acteren en nog geen grote naam. “Hij was een aangename man waar ik nog de minste problemen mee had”, vertelt Verheyen. “Wel was er een raar moment toen we de vrijscène moesten draaien tussen hem en Pamela Gidley. Yoakam wilde namelijk absoluut niet dat zij bovenop hem zat. Hij vond dat echte mannen dat zo niet deden, en hij had ook een hele uitleg klaar hoe echte mannen het dan wel deden (lacht).”

Ook Philip Baker Hall komt even voorbij, op speciaal verzoek van Verheyen. “Ik had een hele lijst gemaakt met karakterkoppen die ik absoluut wilde. Hall stond er ook op, al kon ik hem in de film slechts twee scènes geven. Heel blij was ik ook met acteur Richard Beymer, die de advocaat speelt. Dat was de liefste man die ik in die periode heb ontmoet. Hij speelde ooit de hoofdrol in West Side Story, maar was op dat moment totaal aan lager wal geraakt. Toch vind ik hem zeer goed in de film en hij was de enige persoon waarvan ik écht blij was wanneer hij naar de set kwam.”

De naïviteit voorbij
Hoe groot het verschil tussen Hollywood en Vlaanderen écht was, merkte Verheyen toen hij de eerste dag op de set kwam. “Als je in Vlaanderen op een filmset staat, heerst bij een groot deel van de ploeg de opwinding van ‘wauw, we zijn een film aan het maken, kijk ons hier nu staan’. In L.A. is dat helemaal niet zo. Films maken is er ‘gewoon naar je werk gaan’. Voor een groot deel van de ploeg maakt het ook niet uit wat ze aan het draaien zijn. De enige mensen die er belang bij hebben dat de film het peloton overstijgt, zijn de regisseur, de cameraman, de componist en eventueel de monteur. Zij kunnen op die manier een stapje hoger klimmen in de pikorde. Maar of de tweede assistent cameraman nu aan The Little Death of aan een andere film werkt, zal hem feestelijk worst wezen. Ik kwam dus in een heel andere omgeving terecht. Dat was in het begin even raar, maar op zich vond ik dat niet zo erg. Ik verloor al vrij snel een deel van mijn naïviteit.”

Gelukkig kon Verheyen zich omringen met betrouwbare, doorgewinterde medewerkers. Of zo leek het toch. “Mijn cameraman David Phillips was een toffe gast, de meisjes van make-up en kostuums deden prima hun werk, mijn geluidsman was oké. Production design was al een stuk minder. De kerel die daarvoor verantwoordelijk was, heette Armin Ganz en had eigenlijk een goede reputatie. Hij werkte ooit voor Francis Ford Coppola en Alan Parker, maar was inmiddels op z'n retour en nogal verbitterd. Hij deed ook niet meer zo hard z'n best. Hij gaf ons wat met het budget mogelijk was, maar niet meer. Een aantal van de sets waren dan ook heel pover. Ik moest met David soms echt hard zoeken naar een bruikbare hoek, en dan nog konden we de beperkingen van het budget niet altijd verbergen. Het dieptepunt voor mij is die hele korte scène in het “ziekenhuis”, vlak nadat het personage van Pamela Gidley zogenaamd verkracht is. Dat wil zeggen: de set moest een ziekenhuis voorstellen, maar zag er niet uit omdat Ganz donkere doeken had gebruikt in plaats van die traditionele witte.”

Heerlijke speeltjes
Ook al was The Little Death, met een budget van 5 miljoen dollar, naar Amerikaanse normen absoluut low budget, toch had Verheyen een hoop speeltjes die hij in België nog nooit had gebruikt zoals een kraan en een steadycam. Er stonden ook altijd drie camera's ter beschikking. “Ik gebruikte ze niet altijd allemaal tegelijk, maar als er ook maar iets gebeurde dat op actie leek, haalde ik ze er allemaal bij. Dat werkte erg prettig. En gelukkig vond ook David het leuk om aan de film te werken. Hij had nog maar één echte speelfilm gedraaid, The Basketball Diaries, met Leonardo DiCaprio en Mark Wahlberg. Pas naderhand vertelde hij me dat hij onder een pseudoniem veel porno draaide (grinnikt).”

Om te laten zien dat hij het meende, en om zijn stempel te drukken op de film, wilde Verheyen The Little Death openen met een zogenaamd moneyshot, een ingewikkelde camerabeweging die de toon moest zetten. Het bewuste shot begint buiten, hoog boven een bar, en de camera volgt een personage in één vloeiende beweging naar binnen. Voor dat shot zat de cameraman met de steadycam bovenop een platform dat zachtjes naar beneden kwam en waar hij vanaf stapte om het personage tot in de bar te kunnen volgen. “Dat soort shots waren erg leuk om mee te spelen”, zegt Verheyen. “Ik vind dan ook dat het begin van de film een zeker ritme en een leuke sfeer heeft. Er zitten dus zeker momenten in The Little Death die ik wel oké vind. De scènes in de bar aan het begin van de film waren trouwens het leukst om te draaien. Het was ergens in de tweede week. Het liep al niet meer zo soepel, maar ik had toen nog wel het gevoel dat ik me aan het amuseren was.”

“I think I want to come in that way”
Maar dat gevoel ging snel over toen Verheyen het aan de stok kreeg met de bekendste naam in de cast, karakteracteur J.T. Walsh. Ook Walsh stond op het verlanglijstje van Verheyen, maar hij bleek al snel een verschrikking om mee te werken. “Dat wist ik op voorhand natuurlijk niet”, zucht hij, “want ik wilde hem echt in mijn film en ik was heel blij dat hij ja had gezegd. Maar eens hij de rol had en een paar draaidagen verstreken waren, wist hij dat we hem niet meer konden ontslaan en is hij het varken beginnen uithangen. Niet normaal. De dag dat we naar het hamburgerrestaurant Fat Burger gingen om wat dialoogscènes te draaien, klaagde hij eerst dat zijn trailer niet groot genoeg was. Vervolgens wilde hij niet buiten draaien omdat hij vond dat ik dat enkel deed om het logo van ‘die fucking Fat Burger’ in beeld te brengen. Zo kinderachtig allemaal, je zou het haast niet geloven.

Nog een voorbeeld: op een gegeven moment komt Walsh op de set en vraag ik hem om door deur A binnen te komen, aan die stoel te staan, het gesprek te voeren, en einde scène. Zegt hij plots: ‘I don't think I want to come in this way. I think I want to come in that way’. Op dat moment ben je hoe dan ook de klos. Ofwel discussieer je een half uur met die man om hem ervan te overtuigen toch via deur A binnen te komen, ofwel stuur je hem terug naar zijn trailer en verzet het licht zodat hij via deur B kan binnenkomen. Afijn, hij was echt een buitengewoon onaangenaam persoon.”

De Pulp Fiction-versie
Naast het gezeur met J.T. Walsh zaten de grootste problemen op het niveau van de productie. Vermoedelijk hadden zowel Ann Dubinet, Chris Zarpas als Mark Burg een andere film in gedachten en als regisseur zat Verheyen daar maar mooi tussen. “Vooral Chris Zarpas deed heel lastig en ik vond hem al snel een ongelooflijke eikel”, zegt Verheyen. “Ik haatte die man vanaf dag drie, en omgekeerd. Om je een idee te geven wat voor een ongelooflijke megalul hij was: op een gegeven moment zaten monteur Joe Gutowski en ik in een vrij ver gevorderd stadium van de eindmontage, toen Zarpas plots helemaal over zijn toeren de montagekamer binnenstormde. Hij had net Pulp Fiction gezien en hij vond die non-lineaire manier van vertellen zo geweldig dat hij dat ook zo wilde doen in The Little Death. Hij wilde dus dat we begonnen met het einde, dan het begin, enzovoorts. Ik zei nog tegen Zarpas dat het script zo niet geschreven was en dat het niet kon werken, maar daar wilde hij niets van weten. Het moest en zou worden gedaan zoals in Pulp Fiction. Uiteraard stemde ik daar niet mee in, dus haalde Zarpas er gewoon zijn eigen monteur bij om parallel een andere versie van de film in elkaar te zetten.”

“Die Pulp Fiction-versie is zelfs vertoond voor een testpubliek. Je kunt je niet voorstellen hoe erg dat was. Daar zat ik me echt heel diep te schamen. Het was zo onnoemelijk, onsamenhangend slecht, met van die jump cuts die nergens op sloegen. Och, niet te harden. Het bizarre is wel dat Zarpas voor zijn versie de bekende monteur Robert K. Lambert heeft aangezocht. En dat terwijl mijn monteur, Joe Gutowski, nooit uit het circuit van de B-film is geraakt. Gelukkig haalde die Pulp Fiction-versie ontzettend slechte testscores, zodat dat gezeur daarna meteen van de baan was. Helaas scoorde ook mijn versie tijdens de testscreening maar middelmatig, waardoor we meteen wisten dat we er niets mee konden doen in de bioscoop. We hebben volgens mij ook niet meer veel veranderd na die eerste test. Er werd gewoon besloten dat ik die 'gewone' versie zou afwerken, en verder uit. Toen ze zo begonnen te knoeien in de montage begon ik plots ook te beseffen dat de film geen The Last Seduction en geen Blood Simple zou worden. Ik hoopte gewoon dat ik het er nog levend vanaf zou brengen.”

You'll never work in this town again!
“In de periode dat Zarpas en ik aan het ruziemaken waren over de twee verschillende versies, kreeg ik ook slaande ruzie met Mark Burg, die het beu was dat ik mijn versie met hand en tand verdedigde. Op een gegeven moment stapten we in de auto om ergens naartoe te gaan en kwam het opnieuw tot een woordenwisseling. Midden in zo'n enorme parkeergarage in L.A. schreeuwde hij uit volle borst tegen mij “You'll never work in this town again!” Nu kan ik erom lachen, maar op het moment zelf heb ik me enorm moeten bedwingen om niet op het vliegtuig te stappen en weer naar huis te gaan. Hoe het me is gelukt? Een combinatie van koppigheid en trots. Bovendien wisten te veel mensen in België dat ik dit aan het doen was. Ik kon dus niet met mijn staart tussen mijn benen terugkomen. Ik wou die film absoluut afwerken.

Vanaf dag drie of vier dacht ik niet meer ‘ik ga Hollywood veroveren’, maar eerder ‘ik ga die film afmaken, ik ga me niet laten kennen’. Qua ambitie is dat toch al een aanzienlijke stap terug (lacht). Ik had ook niemand van het thuisfront meegekomen, en ik voelde me heel eenzaam. Ik had heimwee. Nooit gedacht dat dit mij zou overkomen. Al zat ik natuurlijk wel in een omgeving waar ik weinig vrienden zou maken (lacht). Gelukkig kende ik een aantal mensen in L.A. waarmee ik kon afspreken om iets te gaan eten en mijn hart te luchten. Maar meestal zat ik alleen op mijn kamer en bereidde ik de scènes van de dag nadien voor. Naar het einde van de rit toe, in alle eerlijkheid, kon het me ook niet meer zo veel schelen.”

The wrong man?
Als we vragen waarom Verheyen denkt dat de producenten bij hem terecht zijn gekomen, blijft het antwoord vaag. “Aangezien ze mij gevraagd hebben, zullen ze me wel geschikt gevonden hebben zeker? Ik kan me ook niet herinneren dat ik echt heb moeten vechten voor mijn plaats. Er was natuurlijk wel meteen conflict, maar dat had vooral te maken met verschillende visies en dat gezeik eromheen. Op zich hadden ze met mij persoonlijk geen problemen. Ik deed heel erg mijn best, ik was een goede werknemer, om het zo te zeggen. Ik heb de film ook gedraaid binnen het voorziene aantal draaidagen en afgeleverd binnen het voorziene budget. Maar ik wist ook wel dat ik daar niet stond met de autoriteit van een grote regisseur. Op een gegeven moment heb ik het wel op de man af gevraagd aan Ann: 'Wat in Boys deed je vermoeden dat ik de juiste persoon voor deze film zou zijn?' Zij en Mark Burg hadden het idee dat ik, als Europese regisseur, minder preuts zou dan mijn Amerikaanse collega's. Dat is verder ook het enige concrete dat ik er ooit heb uitgekregen.”

“Het ironische is dan natuurlijk dat ze in de eindmontage van de film bijna alle seksscènes hebben weggeknipt. Ik had net het idee dat ik met die seksscènes het verschil zou kunnen maken. Maar het is achteraf allemaal veel tammer geknipt dan ik het oorspronkelijk gefilmd had. Neem bijvoorbeeld de eerste seksscène in de motelkamer onder de ventilator. Die wilden ze er alleen maar inhouden als er credits overheen kwamen. Ik wilde dat moment wat laten ademen, want het is een redelijk geile scène, en een mooi shot. Je ziet ook geen frontaal naakt, enkel dat ze allebei lekker bezig zijn. Maar de producenten wilden dat eruit. Ik zei nog: ‘jongens, dit is wat jullie besteld hebben’. Maar nee, ik moest over zowat elke frame discussiëren. Ik had het veel explicieter in gedachten dan wat er uiteindelijk van is overgebleven.”

Maat voor niets
“Ik heb de film nu al een tijdje niet meer gezien, maar in mijn ogen is het een competent gemaakte, maar zeer anonieme film. Ik denk ook niet dat hij echt vervelend is, ook al staat er geen stempel op. Hij had door om het even wie gedraaid kunnen worden. Eigenlijk zo'n typische jaren 90 straight-to-video erotische thriller in de voetsporen van Basic Instinct. The Little Death heeft dan ook niks gedaan om een eventuele Amerikaanse carrière op de rails te krijgen. Toen ik aan het draaien was, werd ik geregeld gebeld door agents die me wilden laten tekenen bij hun bureau. Maar toen bleek dat de film niet aan de verwachtingen voldeed, was dat ineens afgelopen.”

“Ik maakte mee wat veel Europese regisseurs voor mij hadden meegemaakt: ik was heel even hot, maar omdat ik het niet meteen kon waarmaken, was het snel weer afgelopen. Als ik in Amerika was gebleven, had ik in het beste geval nog eens een film met een klein budget kunnen draaien, maar was ik waarschijnlijk in het tv-filmcircuit terechtgekomen. Ik had dus geen enkele reden om daar te blijven. In België had ik samen met Mark Punt het grootste onafhankelijke filmbedrijf van Vlaanderen en het maken van een volgende film was daar na het succes van Boys meer dan een theoretische mogelijkheid. De balans was snel gemaakt.”

Harde leerschool
Ondanks de geknakte ambities en de harde lessen die hij leerde over Hollywood, kijkt Verheyen gematigd terug op zijn ervaringen daar. “Ik heb achteraf gezien, en dat moet ik toegeven, zeer veel geleerd tijdens de opnames. Ik had Alles Moet Weg, mijn volgende film in Vlaanderen, nooit in 25 dagen kunnen draaien zonder de ervaring die ik in L.A. had opgedaan. Ook al was ik daar vreselijk ongelukkig, het was voor mij een belangrijke leerschool. Niet alleen omdat ik in één klap van het idee af was dat ik met mijn films de wereld moest gaan veroveren, maar ook als mens. Ik bleek plotseling kwetsbaar. Ik miste mijn vrienden en familie, terwijl ik dacht dat ik daar boven stond. Mark Punt heeft altijd gezegd dat er een andere Jan Verheyen uit L.A. teruggekomen. Veel milder. Ik kon de zaken ineens een stuk beter relativeren. It's only a movie, not the cure for cancer.”

Uiteindelijk kon Verheyen The Little Death via Independent nog uitbrengen in België. “De film heeft het een aantal weken volgehouden in de bioscoop, maar het is zeker niet een van mijn best bezochte films. En terecht. Toch heeft niemand mij in mijn gezicht uitgelachen. Ik had natuurlijk wel het voordeel dat ik de distributeur was van bijna alle andere Vlaamse films in België, dus ze slikten hun woorden denk ik ook wel in (lacht). De recensies heb ik verder niet echt gelezen, maar daar zijn er ook niet veel van verschenen. Variety heeft de film bijvoorbeeld nooit besproken. Hij staat volgens mij wel in een oudere editie van de Maltin's Movie Guide. Twee sterren krijgt hij daarin. Middelmaat hè.”

Vreemde ontmoetingen
Een aantal jaren nadien kwam Verheyen heel toevallig nog eens opnieuw in aanraking met The Little Death. “Nadat de film ook in België was uitgebracht, kwam ik bij Polygram terecht als Head of International Distribution. En net op dat moment werd Island Pictures opgekocht door Polygram. De film kwam in mijn portefeuille terecht en ik kreeg dan geregeld rapporten met royaltyverslagen. Dat was wel heel maf. Island Pictures heeft uiteindelijk wel geld verdiend aan de film. The Little Death is in weinig landen in de bioscoop geweest, maar heeft het wel goed gedaan op video en tv. Zelf heb ik er geen fortuinen aan overgehouden. Ik verdiende het minimumsalaris (op dat moment 120.000 dollar, nvdr.), maar daar moest ik mijn eigen kost en inwoning van betalen. Ik krijg wel nog altijd cheques met royalty’s als de film weer eens ergens op tv is geweest. Meestal is dat een cheque van 17 dollar waarop ik bij de bank nog moet bijleggen om hem uitbetaald te krijgen (lacht).

Het heilige vuur
Na het fiasco van The Little Death heeft Verheyen nooit meer concrete plannen gemaakt om iets te gaan doen in Amerika. Er circuleerde wel ooit een gerucht dat hij Wanted zou gaan draaien, nota bene met Jennifer Aniston en Meryl Streep in de hoofdrollen, maar dat is volslagen onwaar. “Het was in de periode dat Erik van Looy voor het eerst naar Amerika ging, en wellicht heeft iemand in het kielzog daarvan iets uit zijn duim gezogen. Als nu de telefoon zou gaan en iemand mij opnieuw een aanbod doet om een film als The Little Death te draaien, zou ik het ook niet meer doen. Ik heb hier in Vlaanderen veel meer mogelijkheden. Het heilige vuur brandt misschien nog wel, maar het laait niet meer zo hoog op als vroeger.”

UITGELICHT

Waar zijn ze nu?

Ann Dubinet, de salesagent die Jan Verheyen in contact bracht met Island Films, produceerde na The Little Death nog één film: Carolina van Marleen Gorris. Dubinet werkte vervolgens als salesagent voor filmhuizen als Artisan Entertainment en The Samuel Goldwyn Company, en is nu aan de slag bij de Amerikaanse distributiemaatschappij Unified Pictures.

Mark Burg was voor The Little Death al een redelijk bekende producent, onder meer van de films Airheads, The Sandlot en Bull Durham. Na The Little Death produceerde hij The Gingerbread Man van Robert Altman en John Q. van Nick Cassavetes. In 2004 boorde hij met de Saw-reeks een heuse goudmijn aan. Het door hem geproduceerde 7de deel verschijnt later dit jaar.

Chris Zarpas, de restauranteigenaar die filmproducent werd, mocht na The Little Death nog even meespelen met de grote jongens, onder meer als producent van G.I. Jane van regisseur Ridley Scott. In 2002 stopte hij met produceren. Hij werkt vandaag als vastgoedmakelaar.

Nicholas Bogner en Michael Holden schreven na The Little Death samen nog één scenario, maar daar bleef het bij. Van Michael Bogner is sindsdien niet veel meer vernomen. Michael Holden is nog wel eens te zien als bijrolacteur in bekende tv-series als Desperate Housewives, The Mentalist, CSI, 7th Heaven en 24.

Brent Fraser was begin jaren 90 te zien in cultfilms als Class of 1999 en Wild at Heart, maar brak nooit echt door. Na The Little Death tuimelde zijn carrière de dieperik in en kreeg hij enkel nog rolletjes in b-films en onbekende tv-reeksen. Volgens de geruchten werkt hij vandaag als verkoper in een elektronicazaak in L.A.

J.T. Walsh had voor The Little Death al een indrukwekkend cv opgebouwd als karakteracteur. Hij speelde mee in Good Morning Vietnam, Misery, Outbreak, Backdraft, The Client, Hannah and Her Sisters en (ironisch genoeg) The Last Seduction. Na The Little Death was hij te zien als misdadige vrachtwagenchauffeur in Breakdown en als de norse vader in Pleasantville. Hij overleed in 1998 op 54-jarige leeftijd aan een hartaanval terwijl hij in een afkickcentrum zat.

Pamela Gidley begon haar carrière als model en kwam via een rol in de tv-serie McGuyver in het filmwereldje terecht. Ze speelde mee in Highway to Hell van Ate de Jong en in de Twin Peaks-film van David Lynch, maar werd nooit een superster. Na The Little Death was ze nog te zien in tv-series als The Pretender, CSI en Skin. In 2006 ging ze met pensioen.

Dwight Yoakam is al sinds begin jaren 80 een grote naam in de countrymuziek. The Little Death was een van zijn eerste filmrollen en het begin van een aardige acteercarrière. Yoakam was onder meer te zien in Sling Blade, The Newton Boys, Crank, The Three Burials of Melquiades Estrada en Wedding Crashers. Maar u kent hem vooral als “de gemaskerde inbreker” uit Panic Room.

David Phillips, de sympathieke cameraman, draaide voor The Little Death hoofdzakelijk porno. De enige topfilm op zijn cv is The Basketball Diaries, met Mark Wahlberg en Leonardo DiCaprio. Phillips werkt nog steeds als cameraman, onder meer voor de comedyshow Saturday Night Live.

Robert K. Lambert, die in opdracht van Chris Zarpas de ‘Pulp Fiction-versie’ van The Little Death monteerde, was inderdaad een grote naam. Hij werkte aan Last Action Hero, Sorcerer en Above the Law, maar werd pas echt bekend als monteur van Three Kings, Rush Hour 2, Red Planet, Bulletproof Monk en I Heart Huckabees. Ook al haalde zijn versie van The Little Death het niet, op de eindgeneriek krijgt hij toch een credit: ‘executive in charge of post-production’.

Joseph ‘Joe’ Gutowski, die de ‘reguliere’ versie van The Little Death monteerde, werkte als assistent-monteur aan films als Harlem Nights, The Fugitive, Passenger 57 en de megaflop Ishtar. Na The Little Death belandde hij in het b-filmcircuit als monteur van ondingen zoals House of the Dead 2 en All Souls Day: Dia de los Muertos.

Philip Baker Hall heeft in The Little Death amper twee scènes, maar is van de hele cast het verst gekomen. Hij was al in films te zien sinds de jaren 70, maar brak pas echt door dankzij opvallende rollen in de films van Paul Thomas Anderson: Sydney, Boogie Nights en Magnolia. Hall is verder te zien in The Truman Show, Rush Hour, The Rock, The Insider en Zodiac.

Mark Punt richtte in 1985 samen met Jan Verheyen de distributiemaatschappij Independent op en regisseerde de bioscoopfilms She Good Fighter en Dief! Hij produceerde Erik Van Looy’s regiedebuut Ad Fundum en was samen met Guy Goossens de drijvende kracht achter de internationaal bekroonde tv-serie De Matroesjka’s.

Richard Beymer had er het gros van zijn carrière al opzitten toen hij aan The Little Death begon. Liefhebbers van musicals kennen hem als Tony uit West Side Story, en Lynch-fans weten dat hij Benjamin Horne speelde in de tv-serie Twin Peaks. Beymer stopte in 2008 met acteren.

Armin Ganz, de norse production designer, verwierf naam en faam met zijn werk voor films als Angel Heart en Birdy (allebei van Alan Parker), Bull Durham en Tucker: The Man and His Dream van Francis Ford Coppola. The Little Death was een van zijn laatste films. Hij overleed eind 1995 op amper 47-jarige leeftijd aan een hartaanval.

Jos Wolffers