HERCULES: DE WAARHEID

The Gospel Truth

Dat de G-rated Olympos in Hercules meer op een deel van Disneyworld lijkt dan op een oord waar verderf en verval welig tierden, kun je de Disney Studio's moeilijk kwalijk nemen als ze met een paar ingrepen in de oorspronkelijke mythologie een film kunnen afleveren die bruist van dynamiek en sprankelt van originaliteit. Toch kan het interessant zijn om de échte Hercules (nou ja, echt) eens onder de loep te nemen.

De echte Hercules heette in de eerste plaats al niet Hercules, maar Heracles. Heracles was een 'ongelukje', het resultaat van één van de vele slippertjes van oppergod Zeus met een aardse vrouw, Alkmene. Zeus had een goddelijke hoeveelheid testosteron door zijn aders vloeien en als hij niet in een dronken bui met Hera was getrouwd, dan had hij de Olympos ongetwijfeld omgebouwd tot een soort luxebordeel. Hera wist natuurlijk wel af van Zeus' grote hobby en ze lag dan ook voortdurend overhoop met haar echtgenoot. Meestal kwamen de vrouwen waarmee Zeus betrekkingen had er het bekaaidst van af. Aangezien Zeus de koning van de Griekse goden was, kon Hera hém weinig maken, maar als ze hem ontdekte met een jonge, onschuldige Griekse maagd, dan werkte ze daar al haar woede op uit. Zeus was een gewiekste god en toen hij op een keer Hera hoorde aanwandelen terwijl hij op zijn Grieks in de weer was met Io, veranderde hij het arme meisje in een wit kalf. Dat Hera prompt gevangen liet zetten in een door Argus bewaakte donkere grot in de diepste diepten van de Olympos. Om maar te zeggen dat het niet allemaal koek en ei was, daar in het Griekenland van lang geleden.

Heracles (Hercules dus) had een aardje naar zijn vaartje en het was al zonneklaar bij zijn geboorte dat hij een groots leven voor zich had liggen. De ziener Teiresias voorspelde dat Heracles vele draken zou verslaan en monsters uit de weg zou ruimen en aan het einde van de talrijke daden van zijn aardse leven zou hem het eeuwige leven bij de goden beschoren zijn.

Toen hij nog in zijn wieg lag, wist de piepjonge Heracles al twee wurgslangen te doden die in zijn kamer door zijn jaloerse stiefmoeder Hera waren achtergelaten. Hera probeerde werkelijk alles te doen om Heracles te treiteren en het leven zuur te maken. Nog voor hij geboren was, had ze ervoor gezorgd dat Eurystheus, de zoon van de koning van Argos en Mycene, eerder werd geboren dan Heracles, waardoor Heracles, volgens een uitspraak van Zeus, Eurystheus moest dienen in plaats van andersom. Nu had Eurystheus twaalf nogal hachelijke karweien op te knappen, en omdat de rollen nu waren omgedraaid, liet Eurystheus Heracles bij zich komen en beval hem de klussen voor hem te klaren. En er zat voor Heracles niet veel anders op dan te doen wat van hem gevraagd werd.

Als eerste beval Eurystheus hem de huid van de Nemeïsche leeuw te brengen die huisde in de Peloponisos. Nog nooit waren aardse pijlen of mensenknotsen erin geslaagd om de leeuw te vangen of te doden, en zowel Hera als Eurystheus vielen dan ook om van verbazing toen Heracles na enkele dagen terugkeerde met de huid van de leeuw. Hij had niet eens pijlen of een knots nodig gehad, maar het ondier met zijn eigen handen en goddelijke kracht weten te wurgen en te stropen.

Voor de tweede klus werd Heracles naar Argolis gezonden, waar de Hydra huisde, een vreselijk slangachtig dier met negen koppen waarvan er acht sterfelijk waren en één onsterfelijk. Nadat Heracles de Hydra uit haar grot had gelokt, begon een gevecht op leven en dood. Telkens hij echter één van de koppen met zijn knots had weten te verpletteren, kwamen er twee nieuwe in de plaats. Uiteindelijk slaagde hij erin de ruggengraat van het monster te breken en die ene onsterfelijke kop van de romp af te slaan. In het giftige bloed van de Hydra dompelde hij de punten van zijn pijlen.

Als ik Heracles niet kan doden, moet Eurystheus gedacht hebben, dan moet ik hem maar een werk laten opknappen dat niet op te knappen valt en waar hij tot zijn dood mee in de weer zal zijn. Dus zond hij Heracles naar de prachtige groene valleien van Arcadië, waar een oogverblindend mooie hinde met een gouden gewei zich ophield. Tot nu toe was niemand er ooit in geslaagd het dier levend te vangen, zo snel kon zij zich uit de voeten maken. Maar Heracles wist het met één van de in het bloed van de Hydra gedrenkte pijlen te verwonden en met zich mee te nemen. Onderweg wist hij meteen ook een vierde opdracht tot een goed einde te brengen: het vangen van het Erymanthische everzwijn. Hij joeg het roofdier op door de hoge sneeuw tot het van de uitputting neerviel. Met de hinde onder zijn linkerschouder en het everzwijn onder zijn rechterschouder, toog Heracles moe maar tevreden terug naar het hof van Eurystheus.

Eurystheus begon Heracles een beetje beu te worden. Hij had ondertussen ook wel door dat Heracles niet voor één gat te vangen was en met elke klus die Heracles wist op te lossen, werd hij bekender en beroemder in Griekenland, wat toch niet de bedoeling kon zijn. Om hem te vernederen, stuurde hij Heracles naar Elis, om er de stallen van koning Augias uit te mesten. Heracles dacht er echter niet aan om zich tot slavenarbeid te verlagen en de mest op te ruimen. Met zijn goddelijke kracht leidde hij een nabijzijnde woeste rivier via een kanaal naar de stallen en liet de reusachtige bergen mest door de golven wegspoelen.

Als zesde klus stuurde Eurystheus Heracles opnieuw naar Arcadië, alwaar hij de Stymfalische roofvogels moest verjagen. Van de god Hefaistos kreeg Heracles een hamer en aambeeld, waarmee hij zoveel kabaal maakte dat de vogels allemaal tegelijk dodelijk bevreesd opvlogen. Met pijl en boog maakte hij enkele vogels af en de rest was door zijn aanval zo geschrokken dat zij het land verlieten om nooit meer terug te keren. Op weg naar huis wist hij ook nog een zevende opdracht te vervullen: het bestrijden van de stier van Kreta. Heracles wist met zijn goddelijke kracht de stier zo te temmen dat hij van het monster een gewillig rijdier maakte, dat hem gedwee door berg en dal naar koning Eurystheus droeg.

De koning van Thrakië bezat paarden die zo wild waren dat hun honger alleen gestild kon worden met mensenvlees. Eurytheus had deze fantastische paarden altijd al voor zichzelf gewild, dus stuurde hij Heracles naar Thrakië om die paarden voor hem op te eisen. Toen de koning weigerde zijn lievelingsdieren af te staan, wierp Heracles hem maar voor de paarden, die hun baas in een mum van tijd oppeuzelden en zijn bloed tot het laatste spatje van de grond likten. Hierdoor verloren de paarden plotseling hun wildheid; Heracles nam ze mee en voer ze naar Argos. Zijn achtste karwei zat erop.

Met nog vier karweien te gaan, begon Eurystheus zich zorgen te maken. Het zag er niet naar uit dat Heracles zijn laatste vier taken niet tot een goed einde zou brengen en hij was nu populairder dan ooit in Griekenland. Daarom leek het hem geen slecht idee om Heracles enkele lelijke klussen op te laten lossen, hem uit te sturen om dingen te stelen en zo. Het volk zou vast een dief niet zo op handen dragen als een held die gevaarlijke monsters doodde. Daarom gaf hij Heracles drie nieuwe opdrachten: hij wilde de gordel van de koningin van de Amazonen, de runderen van Geryones en de appelen van de Hesperiden.

De Amazonen waren een groot manhaftig vrouwenvolk aan de Zwarte Zee; Heracles wist dat hij ze nooit in zijn eentje zou kunnen overwinnen. Daarom verzamelde hij zich een leger. Aangezien Heracles zo populair was, wilde ongeveer iedereen zich wel bij het leger aansluiten en met een gigantische groep soldaten trok hij naar het verre Pontos. De koningin van de Amazonen was zo onder de indruk van de held dat ze bereid was de gevraagde gordel als een cadeautje te geven, maar dat was buiten Hera gerekend. Hera vermomde zich als Amazone en maakte de koningin wijs dat Heracles in werkelijkheid alleen maar was komen opdagen om haar te ontvoeren. In een groot gevecht wist Heracles de koningin gevangen te nemen en in ruil voor haar vrijlating ontving hij de de prachtige gordel.

Het buitmaken van de runderen van de reus Geryones was een heel andere zaak. De reus woonde op een eiland bij Spanje; hij bezat drie hoofden op drie lichamen die elk zes armen en zes benen hadden. Hij was dol op zijn runderen, die hij dan ook liet bewaken als was het een goudschat. Opnieuw moest Heracles zijn onoverwinnelijke pijlen gebruiken die hij in het bloed van de Hydra had gedrenkt. Ondanks zijn drievoudige lichaamskracht en het feit dat Hera aan zijn zijde meestreed, zakte de reus al bij het eerste pijlschot als een kaartenhuisje in elkaar.

De gouden appelen van de Hesperiden groeiden in een heilige tuin bewaakt door een honderdkoppige draak. Na veel avonturen kwam Hercules uiteindelijk in het land van de Hesperiden aan, waar Atlas het gewicht van de hemel droeg. Atlas was de oom van de Hersperiden en Heracles verzocht hem om de jonkvrouwen over te halen hem de appelen te schenken. In de tussentijd zou hij wel het hemelgewelf op zijn schouders nemen. Dat wilde Atlas wel en terwijl Heracles zijn schouders onder het gewelf van de hemel zette, begaf Atlas zich naar de heilige tuin, wist de draak in slaap te krijgen, nam de Hesperiden de appelen af en bracht ze naar Heracles. Alleen... nu Atlas had ondervonden hoe leuk het eigenlijk was dat loodzware hemelgewelf niet te hoeven dragen, weigerde hij het weer van Heracles over te nemen. Heracles verzon een list en stemde toe om voortaan het werk van Atlas te vervullen op voorwaarde dat hij even mocht rusten. Toen Atlas opnieuw zijn schouders met kracht onder het gewelf van de hemel zette, nam Heracles de gouden appelen en maakte zich uit de voeten.

De laatste opdracht die Eurystheus Heracles gaf was het halen van Cerberus, de helhond van de onderwereld. Dit zou ongetwijfeld de gevaarlijkste en moeilijkste klus worden die Heracles ooit had moeten vervullen, meende Eurystheus, want met zijn goddelijke afkomst zouden ze hem daar in de onderwereld niet graag zien komen. De helhond was een enorm beest: het was zo groot als een mammoet met drie vurige koppen met weerzinwekkende muilen waaruit onophoudelijk giftig speeksel vloeide. Op de koppen krioelden giftige slangen en de staart van de helhond was een vuurspuwende draak. Na een lange, avontuurlijke tocht, door het voorgebergte Tainaron, over de rivier de Styx en langs de poorten van de dodenstad, kwam Heracles eindelijk oog in oog te staan met het vreselijke monster. Hij greep het bij zijn nek en drukte het met zijn goddelijke kracht de keel dicht, terwijl de slangen in zijn handen beten en de staart vuur in zijn richting spuwde. Nadat hij het gedrocht had gedood, sloeg hij het over zijn rug en bracht het naar Eurystheus. Eurystheus werd wit van woede en angst tegelijk toen hij de komst van Heracles door het gejuich van een enthousiaste menigte in de gaten kreeg. Hij verborg zich in de diepste kerker van het paleis om nooit meer terug te keren.

Heracles was nu een vrij man. Hij leefde, zoals Teiresias had voorspeld, nog een lang leven waarin hij nog meer monsters doodde en gedrochten uit de weg wist te ruimen: hij vloerde de Giganten en de Centauren en nam deel aan de Argonautentocht en de Calydonische jacht. De goden schonken hem onsterfelijkheid en namen hem op de Olympos op. De Romeinen vereerden hem als 'Hercules', de naam waarmee Heracles in het hele Westen bekend is geworden en gebleven. Ongeveer alle versies van de legende, van Agatha Christies eigenzinnige versie met haar eigen 'Hercules' (Poirot) in de hoofdrol tot de recente Amerikaanse tv-serie, hebben die naam gebruikt.

De nieuwe Disneyfilm neemt enkele gedurfde vrijheden maar blijft trouw aan de kern van het verhaal. Dat de Olympos een heuvel van ontucht was, wordt wijselijk verzwegen en ook het feit dat Heracles na de twaalf werken Megaera en zijn kinderen in een vlaag van waanzin om het leven heeft gebracht, blijft onvermeld. Maar de tweede onsterfelijkheid die Hercules nu ten beurt is gevallen door de verfilming, zal er ongetwijfeld voor zorgen dat zijn naam lang zal blijven naklinken tot in tijden dat de andere Griekse goden en godinnen alweer zullen zijn vergeten.