HOLLYWOOD NORTH

Seks in the seventies

Movie-veteraan Christophe Van Cauwenbergh wisselde de regenachtige dagen in België voor de al even regenachtige dagen in Canada. Vanuit kuststad Vancouver, bijgenaamd Hollywood North, brengt hij elke week een impressie van het leven als Belgische filmliefhebber aldaar. Hollywood North is movie's wekelijkse ontmoetingsplaats voor de allerheetste sneak previews van wat er reilt en zeilt in de Noordamerikaanse filmindustrie. Welkom in Hollywood North.

Het dode filmseizoen nadert zijn einde: alles van half augustus tot einde oktober is wegwerpmateriaal waar weinig van verwacht wordt, met uiteraard uitzonderingen als The Game, The Devil's Advocate en I Know What You Did Last Summer. Weinig blockbusters (ze worden allemaal netjes opgespaard voor Thanksgiving en Kerstmis), en dat geeft de indies een eerlijke kans op succes. Het is dan ook in deze periode dat alles wat minder commercieel is, in de zalen wordt gepompt. En als je er dan toch zit, word je om de oren geslagen met promotiefilmpjes voor de meest fantastische kerstprojecten: Jackie Brown, Titanic, Alien Resurrection. Op die momenten besef je waarom je zoveel van film houdt.

En toch houden vele kleinere, onafhankelijke films zich sterk tegen al dat blockbustergeweld (het zijn overigens steeds meer deze films die in het voorjaar met de belangrijkste filmprijzen naar huis mogen). Twee nieuwe prenten spelen zich af in de jaren zeventig, en allebei, hoewel totaal verschillend, hebben als belangrijkste thema seks. Boogie Nights is het filmproject waarmee Mark Wahlberg wil bewijzen dat hij kan acteren, iets waar hij wonderwel in slaagt. Hij speelt Eddie Adams (artiestennaam: Dirk Diggler), een zeer goed geschapen naieve kerel die in de jaren zeventig in het pornocircuit terecht komt, door de invloed van pornopeetvader Jack Horner, vertolkt door Burt Reynolds. Andere rollen zijn voor Julianne Moore als Reynolds' echtgenote Amber Waves en William H. Macy als Reynolds' rechterhand Little Bill. De atmosfeer van de jaren zeventig (en de vroege jaren tachtig) wordt geïllustreerd aan de hand van muziek en schreeuwlelijke kostuums, en in dat opzicht is Boogie Nights feitelijk een aanslag op zintuigen. Twee uur en een half irritante discodeuntjes en afzichtelijke glitterparty's, het is eerlijk gezegd een beetje te veel van het goede. Ondanks dat mag Boogie Nights gezien worden. Wees echter gewaarschuwd dat de film na een vrolijk eerste uur een bloedernstig drama wordt (de drugs doen hun intrede), en dat in een steeds meer fragementarisch worderd verhaal. Scènes volgen elkaar aan ijltempo en zonder veel orde op. Regisseur en schrijver is Paul Thomas Anderson, die onlangs met Hard Eight zijn debuut voorstelde.

Ook The Ice Storm speelt zich af in de jaren zeventig, en hoewel het er hier veel rustiger en minder chaotisch aan toe gaat, is seks eveneens het centrale thema. The Ice Storm handelt over een gezin tijdends het Thanksgiving-weekend. De familie Hood bestaat uit vader Ben (Kevin Kline), moeder Elena (Joan Allen), dochter Wendy (Christina Ricci) en zoon Paul (Tobey Maguire). Elena heeft geen interesse in seks en daarom gaat Ben zijn pleziertje zoeken bij buurvrouw Janey Carver (Sigourney Weaver). Wendy worstelt met haar puberteit, en experimenteert er op los met niet alleen Carvers zoon Mikey (Elijah Wood), maar tevens met diens kleine broertje Sandy (Adam Hann-Byrd van Little Man Tate). En Paul tenslotte, droomt van een meisje bij hem in de klas, dat hij hoopt te kunnen versieren tijdens een afspraakje bij haar thuis. The Ice Storm is een erg rustige film, die in een zeer verfijnde raamvertelling uit de doeken wordt gedaan door Paul. De meeste acteurs geven een prima vertolking ten beste, en dit dank zij de zeer dankbare rollen die ze ter beschikking hebben. Vooral Joan Allen, Tobey Maguire en Elijah Wood bekoren, deze laatste in een schitterende scène waarnaar de titel betrekking heeft. Hoewel iedereen in deze film zware problemen heeft, is dit een hartverwarmende familiefilm die, op een anti-Sandra-Bullock-manier, zorgt voor een lach en een traan. Een zeer intieme, sfeervolle regie van Ang Lee (Sense and Sensibility).

Aan de andere kant van het spectrum heb je dan de twee anti-China-films die momenteel in de zalen spelen. Het is een beetje vreemd om dergelijke films te gaan bekijken in een stad waarin een vierde van de bevolking uit Azië komt. Chinees is de derde taal hier, en je vraagt je af of ze nu enige schaamte of schuld voelen bij het zien van deze films. De ene is Red Corner, met in de hoofdrol fervent boeddhist en China-hater Richard (hierover meer volgende week). De andere is Seven Years in Tibet, de eerste van twee nieuwe Boeddha-films (de andere zijnde Kundun van Martin Scorsese). Seven Years in Tibet werd door de critici hier slecht ontvangen, maar de film wist mij evenwel te bekoren. Brad Pitt speelt een rol die hem op het lijf is geschreven: de norse, koppige maar uiteindelijk nobele Oostenrijker Heinrich Harrer (alleen het Arnold- accent durft nu en dan te mislukken) die anno Wereldoorlog II zijn zwangere vrouw in de steek laat om met een nazi-expeditie een berg in de Himalaya te beklimmen. De expeditie mislukt evenwel en de mannen worden door het Britse leger gevangen genomen en in een gevangenenkamp gestopt. Pitt en expeditieleider Peter Aufschnaiter, vertolkt door David Thewlis, weten te ontsnappen en trekken door het onherbergzame landschap van de Himalaya om uiteindelijk terecht te komen in Lhasa, de Tibettaanse stad waar de Dalai Lama woont. De vrienden vestigen zich hier en bouwen er een idyllisch leven op, dat dreigt te worden verstoord door de oorlosgezinde Chinezen. De film, geregisseerd door Jean-Jacques Annaud, is gebaseerd op de autobiografie van Heinrich Harrer. Annaud heeft zin voor epische opnamen en maakt dankbaar gebruik van de schitterend berglandschappen (die eigenlijk in Argentinië werden opgenomen). Het is uiteindelijk echter de vriendschap tussen Harrer en de kleine Dalai Lama die de kijker weet te charmeren. Net als Boogie Nights (en zovele andere films in de laatste paar maanden) duurt Seven Years in Tibet flink over de twee uur, en dat is achterwerkbeproevend lang.

Tenslotte zijn er - hoera hoera - ook weer twee nieuwe sciencefictionfilms uit in de Amerikaanse bioscoop. Net als Boogie Nights versus The Ice Storm en Seven Years in Tibet versus Red Corner, zijn ze totaal verschillend van aard. De ene is Gattaca, een sciencefictionprent waar vooral het verhaal van belang is (er komt precies één special effect in dat een paar keer wordt herhaald), en is wat betreft thema en opzet vergelijkbaar met Fahrenheit 451, in de zin dat het hoofdpersonage zich verzet tegen een absurde gewoonte in de nabije toekomst. Genetische manipulatie heeft de mensheid verovert. Het gevolg is dat de genetisch perfecte mens wordt verkozen boven de 'natuurlijke' mens en zodoende de beste banen krijgt. In dit systeem groeit Vincent op (een rol van Ethan Hawke), een doodgewone mens die er echter van droomt planeten te koloniseren. Om het systeem te slim af te zijn, werkt hij een ingenieus plan uit waarmee hij de identiteit van een genetisch gemanipuleerde atleet aanneemt. Wanneer er in de kantoren van het ruimtevaartsbedrijf Gattaca echter een moord wordt gepleegd, dreigt hij ontmaskerd te worden: de onderzoekers vinden van hem namelijk een cel die niet toebehoort aan de elite. Gattaca (de titel verwijst naar de vier nucleonen G, A, T en C in de menselijke DNA-streng) is een zeer welgekomen sciencefictionfilm die voor een keer het verhaal belangrijker acht dan de special effects en op goede acteerprestaties kan rekenen van Ethan Hawke en Uma Thurman als diens love interest Irene. De regie en het scenario zijn van Andrew M. Niccol, die hiermee aan zijn imposante debuut toe is. Leuk om weten is dat deze film aanvankelijk The Eighth Day zou gaan heten. De makers zagen zich wettelijk echter verplicht van naam te veranderen wegens het copyright op de titel dat toebehoort aan Jaco Van Dormaels Le Huitieme jour.

Helemaal tegenovergesteld is Starship Troopers, de eerste grote blockbuster van het najaarsseizoen. Dit was de eerste grote, langverwachtte event-movie die ik tijdens de openingsavond zag; een ervaring op zich. Drie kwartier te vroeg aan de kassa, je denkt dat je de eerste bent, tot blijkt dat de file zich tientallen meters uitstrekt tot ver om de hoek. Het is dan ook duwen en sjorren geblazen om een mooi setje zitplaatsen te versieren (de emmers vol popcorn en andere viezigheid op de vloer zien we door de vingers). De sfeer is uitgelaten, de mensen zijn enthousiast als kleine kinderen op Sinterklaas. En wanneer de meest fantastische trailers worden losgelaten, wordt het publiek wild: een ultra-lange voorfilm van Alien Resurrection (op de televisie lopen er wel vijf verschillende), filmpjes van Amistad en Desperate Measures, om af te sluiten met een volslagen onverwachtte preview van Godzilla. Size Does Matter is de boodschap, en in dat opzicht meet Godzilla zich met de sterkste concurrenten: de dinosauriers uit Steven Spielbergs Jurassic Park-franchise. De zaal barst los in spontaan applaus, een gebaar dat nog vaak zal worden herhaald tijdens de film. Starship Troopers is het eerste project van Paul Verhoeven sedert diens groteske flop Showgirls, en meteen zijn comeback in het sciencefiction genre: met Robocop en Total Recall bewees hij één van de meesters in het genre te zijn. Toch moet Starship Troopers het afleggen tegen deze twee klassiekers in het genre. Dat komt omdat de film zichzelf ernstig weigert de nemen: een team jonge leeghoofden, recht uit Melrose Space 90210, schrijft zich in aan het leger om zich in te zetten in de strijd tegen de Arachnids, een buitenaards insectenras dat de aarde bombardeert met meteoren. Het duurt heel lang vooraleer de film op gang komt (wie een jaartje geleden de serie Space: Above & Beyond volgde, weet dat dat behoorlijk kan irriteren) en dat is nefast wanneer je cast bestaat uit de verschrikkelijkste acteurs van het laatste decennium: een stelletje Johnny's en Marina's (waaronder Doogie Howser MD, ocharme) die met veel machopraat en tietengrappen indruk proberen te maken. Pover, zeer pover. Alleen Dina Meyer komt iets wat geloofwaardig over. In elk geval, het duurt een flink uur vooraleer dit stelletje no-brainers in de loopgraven wordt gegooid (vreemd dat de planeten gewoon niet nucleair worden opgeblazen, maar goed) maar wat hier volgt maakt één en ander goed: de actiescenes zijn overweldigend brutaal, doen de adrenaline pompen en de special effects zijn gewoonweg fantastisch. Het oog krijgt meer dan de hersensen, een trend die we nog gewoon zijn van afgelopen zomer. Starship Troopers is veel en veel leuker om naar te kijken dan pakweg Speed 2 of Batman & Robin, maar is uiteindelijk geen haar beter. Geen grote cinema, maar good, solid fun.