AL PACINO

Goddelijke klasse-acteur

Hoe ouder, hoe rijper... is dat niet wat gezegd wordt over mannen? Toch zijn er bepaalde specimen van deze soort voor wie dit gezegde méér dan waar is, Al Pacino bijvoorbeeld. In The Devil's Advocate bewijst hij nogmaals dat hij blijft vooruitgang boeken. Steeds weer verrast deze kameleon in de manier waarop hij een personage zo overtuigend weet te vertolken dat je er bijna kippenvel van krijgt. En hij doet dat met zo'n natuurlijke vlotheid zoals alleen enkele natuurtalenten in Hollywood dat kunnen.

Zolang Pacino zich kan herinneren, heeft hij al willen acteren. Als kind imiteerde hij acteurs zoals hij die in films bezig had gezien. Voor hij startte met zijn acteeropleiding, heeft Al een jaar moeten samenleven met twee dove tantes. Vooral die periode beschouwt hij als een eerste leerschool: probeer daar maar eens mee te communiceren... Het zal wel meer gesticuleren geweest zijn. Tot zijn zeventiende volgde hij les aan de High School of Performing Arts in New York. Nadien volgde dan de obligate 'baantjes'-periode zoals vele beginnende sterren in Hollywood die gekend hebben: pakjesdrager, portier,... noem het en hij heeft het gedaan. Het geld dat hij hiermee vergaarde, ging naar de inschrijving in de Herbert Berghof Studio. Nog een sport hoger op de prestigeladder van de acteerscholen was de Lee Strasberg's Actor's Studio. Daar maakte Pacino zich de intensiteit van het acteren eigen, iets wat hij nu nog als één van zijn sterkste capaciteiten ziet. Ervaring deed hij vooral op in de theaterwereld.

Rekening houdend met zijn herkomst én met zijn uitstraling valt het niet te verwonderen dat Pacino vooral doorbrak met de Godfather-trilogie van Mario Puzo waarin hij een magistrale Don Michael Corleone neerpootte (Part I uit 1972, Part II uit 1974 en Part III uit 1990). In de tijdspanne tussen deze films speelde Pacino in heel wat prenten waaronder Cruising (1980) en Scarface (1983) als belangrijkste kunnen bestempeld worden. Toch zijn vooral de jaren '90 zijn ware succesjaren te noemen. Net voor de laatste Godfather vertolkte hij Boy Caprice in Dick Tracy. Nadien volgen het oerromantische Frankie and Johnny (1991), Scent of a Woman (1992) waarin hij Lt. Slade een gelaat geeft, het mislukte 'shit' en 'fuck'-product over een trio Amerikaanse verkopers Glengarry Glen Ross (1992) en de topper Carlito's Way (1993) elkaar in snel tempo op. In deze laatste film blijkt nog maar eens hoe maffiosi Pacino uit de hoek kan komen, maar toch steeds met de nodige zelfrelativering en nooit gratuit.

Jonas in the Desert (1994) en A Day to Remember (1995) gaan het overweldigende Heat (1995) vooraf. Hierin gaat hij een titanengevecht aan met dat andere natuurtalent van zijn generatie: Robert de Niro. Van deze prent druipt gewoon het perfectionisme af. In City Hall (1996) speelde hij dan weer met brio Mayor John Pappas, burgemeester van New York.

Met Looking For Richard (1996) nam Pacino voor het eerst de handschoen op van regisseur en producent. Voor hem was dit een experiment van een droom die al in '77 of '78 ontstond. Eigenlijk kun je gerust stellen dat Pacino hier een moderne interpretatie bracht van de klassieke Brit nog voor er sprake was het clip-achtige Romeo & Juliet. Die vernieuwing zonder erkenning had hij ook vroeger al ervaren met Cruising (1980), een film waarin een portret van de homowereld wordt gebracht in het pré-aidstijdperk, een thema dat pas met Philadelphia aanvaard wordt.

De voorbije zomer konden we hem zien in Donnie Brasco als Lefty, en nu hou je de adem in voor zijn satanisch verbluffende vertolking in The Devil's Advocate. Keanu Reeves doet het overigens goed aan zijn zijde maar Pacino is meer dan alleen maar goed, hij is goddelijk.