Als student krijg je dikwijls te horen dat het studentenleven de leukste tijd van je leven is. Neem het van mij aan: het is waar. Of neen, ik corrigeer me: als filmliefhebber is het waar. Zeker en vast als je vier jaar in Brussel hebt gestudeerd, waar je op loopafstand van het UGC-bioscoopcomplex op het De Brouckère-plein college liep en je wist dat je met de metro in nog geen twintig minuten naar Kinepolis kon afzakken. En dus heb ik nu heimwee. Niet naar de examenperiodes en naar proffen die dachten dat ze interessant waren, maar eigenlijk eenvoudigweg hun cursus afdreunden. Niet naar het hopeloos wachten op een trein in het station van Brussel Centraal, die door een nog maar eens onaangekondigde treinstaking of een uitslaande brand in Brussel Noord een eindeloze vertraging had. Wel naar enkele te gekke studentikoze kotfuiven waarop alles kon en mocht. Naar enkele hele goeie vrienden en vriendinnen die vier jaar lang een belangrijke rol in je leven hebben gespeeld. En vooral naar het filmbezoek. Want als er dan wel één constante was gedurende die veertienhonderdzestig dagen, dan was dat zonder twijfel het witte doek.
Zo herinner ik me nog als de dag van gisteren mijn eerste film in het Brusselse. Dat werd uiteindelijk The Three Musketeers, op het al eerder vermelde De Brouckère-plein. Na een lange zoektocht, inderdaad, want we hadden vrijkaarten te pakken gekregen voor de UGC-keten en wilden eigenlijk A Perfect World gaan bekijken, maar in het City 2-winkelcentrum draaide enkel de Franse gedubde versie. We arriveerden nog net op tijd, maar hadden wél de smaak te pakken gekregen. Zeven dagen later verlegden we ons werkterrein naar Kinepolis op de Heizel en besloten we om minstens één keer per week het daglicht voor de bioscoopzaal te ruilen. Een traditie die we vier volle jaren zouden volhouden.
Een traditie waaraan enkele maanden terug een abrupt einde is gekomen. Film heeft plaatsgemaakt voor werk en waar er vroeger tijd en ruimte was voor veel vrije tijd, wordt dat laatste nu door talloze andere zaken ingevuld. Niet in het minst door recupereren van drukke dagen. Voorbeelden? Ik weet al van midden december dat ik de acht uur- premièrevoorstelling van Titanic nu woensdag moet missen wegens een veel te krappe deadline. Waar er vroeger weken waren dat je de programmatie van je bioscoop bekeek en meteen al naar een ander avondje uit kon uitkijken wegens alles al gezien, heb je nu een nostalgisch gevoel als je voor de zoveelste keer weer veel te laat op kantoor vertrekt en je in de verte twee skytrackers vanop het dakterras van Kinepolis de Brusselse hemel ziet aftasten. Terwijl de movie-collega's op donderdagavond tien uur naar de sneakpreview afzakken, duik jij in het beste geval je nest in, omdat je weet dat de volgende ochtend we wekker je om tien over zes weer genadeloos zal wakkerzoemen. Voor de jaarlijkse oscar- nacht liet ik de voorbije jaren met plezier een paar lessen schieten, terwijl me dat nu een dag vakantie zal kosten. En de wetenschap dat er de dag nadien iets harder zal moeten gewerkt worden.
Probeer het dan toch, zeggen ze. Ja, hallo, ik heb de eerste weken niets anders gedaan. Met het gevolg dat ik tijdens de laatavondvertoningen van Contact en Air Force One samen allicht meer dan een halfuur heb zitten slapen - wie kloeg daar ook weer over de kwaliteit van de bioscoopzetels anno 1998? - en dat vierhonderdtachtig frank voor de nodige nachtrust - inderdaad, als werkende is ook het studententarief voltooid verleden tijd - zelfs ik een beetje van het goede teveel vind. Om nog maar te zwijgen over de liters koffie die je de ochtend nadien naar binnen speelt om toch maar iets of wat boven je PC wakker te blijven. Het leverde mij nog niet de bijnaam 'Schone Slaper' op, maar comfortabel is toch anders.
En toch wérk ik graag. Van ochtendhumeur heb ik nauwelijks last als ik elke morgen uit mijn bed kom. Ik vervoeg niet met tegenzin met mijn wagentje de veel te lange files naar Brussel. De hele dag doe ik niets anders dan omzetcijfers en kostprijzen te voorspellen, maar je zal mij niet horen klagen. Ik klop lange dagen dat het niet meer mooi is, maar de sfeer op kantoor maakt veel goed. Mijn naaste omgeving went ook al aan mijn nieuw ritme en stelt geen vervelende vragen meer. En de mindere bioscoopfrequentie? Daar heb ik me al bij neergelegd. En neen, het maakt me niet depressief. Tja. Het zal wel aan mij liggen, zeker?