ROBERT A. HEINLEIN

Omstreden genie

Als Jules Verne de vader van de moderne sciencefiction is, dan is Robert A. Heinlein zeker één van zijn vele kinderen. Samen met onder meer spitsbroeders H.G. Wells, Arthur C. Clarke, Ray Bradbury en Isaac Asimov tekende hij met veel zorg mee aan de landkaart van een genre.

Voor velen lijkt Robert A. Heinlein net zo'n fossiel uit het verleden als pakweg H.G. Wells of Philip K. Dick, die respectievelijk al in 1946 en 1981 hun pen aan maarten gaven. Heinlein ruilde echter pas in 1988 het tijdelijke voor het eeuwige en is een veel moderner auteur dan de meeste mensen denken. Hij won maarliefst vier Hugo Awards, was eregast op drie World SF Conventions en kreeg in 1975 de allerleerste Grand Master Nebula Award. In 1969 was hij gastcommentator bij de maanlanding van Apollo 11.

Robert (en de 'A' staat voor 'Anson') Heinlein werd op 7 juli 1907 in Butler, Missouri (USA) geboren. Heinlein had twee oudere broers (Rex en Lawrence), een jongere broer (Jesse) en drie jongere zussen (Louise, Rose en Mary). Toen Heinlein nog een kind was, verhuisden zijn ouders naar Kansas City, waar hij in 1924 afstudeerde aan de Central High School. Onder invloed van zijn grote broer Rex, wilde Heinlein carrière maken bij de marine. Hij zond naar verluidt meer dan vijftig brieven naar senator James A. Reed - en werd uiteindelijk bij de zeestrijdkrachten aanvaard.

Heinlein ging als marineofficier bij de Naval Academy aan de slag in 1925 en diende op de oorlogsvloten USS Lexington en de USS Roper. Dat zware leven eiste echter al snel zijn tol en Heinlein, ondertussen al getrouwd met Leslyn MacDonald, werd al in 1934 wegens medische redenen op pensioen gezet. In de jaren die volgden werd hij een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Hij baatte een zilvermijn uit, ging aan de slag als fotograaf en beeldhouwer en studeerde wiskunde, techniek en architectuur. Voor Heinlein leek zijn leven er op te zitten, voor het goed en wel begonnen was.

Alles veranderde in 1938, toen het bekende SF-magazine Thrilling Wonder Stories een verhalenwedstrijd uitschreef. Heinlein had dringend geld nodig en schreef in vier dagen in april 1939 het korte verhaal Life-Line. Omdat hij dacht dat Thrilling Wonder Stories zou overladen worden met verhalen en hij toch geen kans zou maken, stuurde Heinlein zijn verhaal dan maar naar John W. Campbells Astounding Science Fiction. Campbell kocht het verhaal en Heinlein was zeventig dollar rijker. Zijn schrijverscarrière was (net als die van A.E. Van Vogt en Theodore Sturgeon) begonnen. Heinlein scheidde van zijn vrouw Leslyn in 1947. Een jaar later trad hij al opnieuw in het huwelijk, dit keer met Virginia Doris Gerstenfield, die aan zijn zijde leefde tot Heinleins dood op 8 mei 1988. Hij stierf tijdens zijn traditioneel ochtenddutje, vermoedelijk aan een hartaanval.

De invloed die Robert A. Heinlein heeft gehad voor de geschiedenis van de Amerikaanse SF-roman is niet te onderschatten. Hoewel hij pas erg laat (op zijn dertigste) professioneel begon te schrijven, heeft hij een mammoet-oevre nagelaten. Toen Heinlein tijdens de tweede wereldoorlog als technicus terug bij de marine aan de slag kon, had hij al meer dan dertig korte verhalen geschreven, naast drie romans die later het levenslicht zouden zien. De eerste verhalen van Heinlein (zogenaamde future history verhalen) die furore maakten waren Requiem, The Roads Must Roll en Blowups Happen. Maar meer nog dan onder zijn eigen naam, schreef hij in die beginperiode SF-verhalen onder pseudoniemen: Anson MacDonald, Lyle Monroe, John Riverside en Caleb Saunders. De beste verhalen van Heinlein kwamen in er in de jaren veertig. Toen schreef hij onder meer And He Built a Crooked House (over een architect die in een andere dimensie bouwt) en By His Bootstraps (over de paradox van de tijd).

Eind jaren veertig gaf Heinlein zijn carrière op een dubbele manier een andere wending. Hij ging verhalen schrijven voor de Saturday Evening Post en ging ook schrijven voor de jeugd. Zijn eerste SF-jeugdroman was het uiterst succesvolle Rocket Ship Galileo uit 1947, dat als basis zou dienen voor Heinleins eigen scenario voor de film Destination Moon uit 1950. De SF-verhalen voor de jeugd bleken een succes en later boorden ook andere schrijvers deze door Heinlein ontgonnen bodem aan. Na 1950 legde Heinlein zich vooral toe op het werk van langere adem. Met The Puppet Masters schreef hij in 1951 één van de bekendste alien invasion verhalen aller tijden. Het boek had een uiterst dubbele bodem. De parasieten die zich op de rug van hun gastheren vestigden en deze hun wil oplegden, konden zonder moeite geïdentificeerd worden met communisten.

Uit die tijd dateert volgens velen Heinleins beste roman: Double Star (1956). Het boek, dat handelt over interplanetaire politiek, betekende Heinleins eerste Hugo Award, de hoogste eer die een SF-schrijver kan halen. Zijn volgend boek, Methuselah's Children (1958) was het eerst (maar zeker niet het laatste) dat veel stof zou doen opwaaien. De roman handelde over een groep van 100.000 'langlevers' die het resultaat waren van een groots opgezet kweekprogramma. Methuselah's Children werd vaak vergeleken met A.E. Van Vogts gelijkaardige roman Slan en is dezer dagen terug in de actualiteit in verband met de recente kloon-boom.

In 1959 volgde Heinleins bekendste roman: Starship Troopers. Het verhaal was er oorspronkelijk één voor kinderen, maar uitgeverij Scribner weigerde het omdat er teveel geweld in voorkwam. Heinlein herschreef het voor een meer volwassen publiek en de roman ging de geschiedenis in als één van de meest fascistische naoorlogse SF-romans. De Hugo Award die hij ervoor won, was even omstreden als verdiend. Vele critici verweten Heinlein dat hij in volle koude-oorlogsperiode het Amerikaanse imperialisme met zijn sterrentroepen kritiekloos verheerlijkte. In Nederland bleef het boek zelfs tot 1992 verboden. Heinleins volgend boek, Stranger in a Strange Land (1961), dat weer een Hugo Award won, was zo mogelijk nog rechts- radicaler. Het betekende wel min of meer het einde van Heinleins creatieve periode.

Het is merkwaardig dat er van de veelschrijver Heinlein tot nu toe nog maar vijf films gemaakt werden: drie in de jaren vijftig en twee in de jaren negentig. Heinlein was in 1950 zelf als technisch adviseur en scenarist betrokken bij de verfilming van zijn jeugdroman Rocketship Galileo, dat de filmtitel Destination Moon meekreeg en vrij inspiratieloos geregisseerd werd door Irvin Pichel. De film kreeg wel een oscar voor beste speciale effecten. Drie jaar later volgde Project Moonbase van de Zwitser Richard Talmadge.

In 1958 volgde een eerste goedkope verfilming van Heinleins The Puppet Masters: The Brain Eaters. Het was de enige regiepoging van horroracteur Bruno Ve Sota. De film maakte nooit echt furore en werd later ook bekend onder de namen The Brain Snatchers, Keepers of the Earth en The Keepers. Het duurde daarna merkwaardiggenoeg tot 1994 vooraleer Heinlein weer eens onderwerp van verfilming was. De schier onbekende Stuart Orme zette op zijn manier zijn tanden in Heinleins The Puppet Masters, met Donald Sutherland in de hoofdrol. Starship Troopers is de vijfde en meest ambitieuze Heinlein-verfilming tot nog toe. Voor Paul Verhoeven zijn sollicitatiebrief voor het mega-project Cruisaders; voor Robert A. Heinlein misschien de start van een postume filmcarrière.