Zeven jaar werkte hij voor Disney: van 1972 tot 1979, het lijkt haast symbolisch. In die periode werkte Don Bluth, op 13 september 1938 in El Paso (Texas) geboren, mee aan onder meer Journey Back to Oz, Robin Hood, Pete's Dragon en The Rescuers. Lang voor Disney met The Little Mermaid en Beauty and the Beast zijn grote wedergeboorte inzette, dopte Bluth al zijn eigen boontjes. Hij zwierf zeven jaar als onafhankelijk animator en regisseur doorheen Los Angeles, en maakte in die periode met zijn adepten John Pomeroy en Gary Goldman onder meer Banjo, The Woodpile Cat. Die film werd volgens de legende gedurende lange avonden en nachten gemaakt in de garage van Bluth. De film haalde het grote scherm niet, maar werd door ABC wel als televisiefilm vertoond.
De film sloeg aan en het drietal kreeg de opdracht om een twee minuten durende animatie-sequentie te maken voor de musical Xanadu uit 1980. Daarna volgde het grote werk: The Secret of Nimh, wat door velen nog steeds de beste Bluth-film wordt genoemd. De film was gebaseerd op het boek Mrs. Brisy and the Rats of Nymh en vertelde het verhaal van een gescheiden muis, die haar huis wil beschermen en daarbij de hulp krijgt van enkele dieren die uit een onderzoekslaboratorium ontsnapt zijn. Hoewel artistiek een voltreffer, spuwde het bioscooppubliek de film uit en Bluth moest noodgedwongen zijn grenzen verleggen.
Dat deed hij op het gebied van de videospelletjes. Met het magistrale Dragon's Lair maakte hij het eerste videospel op laserdisc en het was een schot in de roos. Bluth maakte niet veel later ook Space Ace, dat lang niet zo succesvol was als Dragon's Lair. Bluth had het toen wel gezien en keerde terug naar zijn eerste liefde: de tekenfilm. Eén man was daar verantwoordelijk voor: Steven Spielberg. De rechtervoet van God had The Seret of Nimh gezien en wilde voor zijn volgend project met Bluth in zee. Het resultaat was het oeverloos populaire avontuur van de jonge muis Fievel, in An American Tail uit 1986. De film sloeg in die tijd alle tekenfilmrecords aan de box-office aan diggelen met een opbrengst van 45 miljoen dollar. Wisten ze toen veel dat The Lion King enkele jaren later 313 miljoen dollar zou binnenrijven. Maar Don Bluths succes met An American Tail schudde de Disney-reus wel wakker.
Na An American Tail verhuisde Don Bluth naar Dublin, waar hij zijn intrek nam in het Phoenix House. Hij sloeg de handen in elkaar met Morris Sullivan en richtte de Sullivan-Bluth studio op. Toen Steven Spielberg en diens spitsbroeder George Lucas kwamen aankloppen met het idee en geld voor een nieuwe animatiefilm, waren Bluth en Sullivan bereid zichzelf te overtreffen. Het lukte en het resultaat The Land Before Time (over dinosauriërs die proberen te overleven) drong door tot de eerste plaats in de box-office, net het weekend dat Disney zijn veel minder succesvolle Oliver and Company gereleased had. Merkwaardig genoeg sloeg Bluths volgende film, All Dogs Go to Heaven (over een hond die terug uit de hemel komt om nog een goede daad te doen) niet echt aan, ondanks de aanwezigheid van Burt Reynolds in de cast.
Rock-a-Doodle uit 1992 was nog minder succesvol en Sullivan-Bluth geraakte in financiële problemen. Met de hulp van Warner Bros. maakte Bluth drie jaar later een comeback door de grote poort. A Troll in Central Park en The Pebble and the Penguin stonden nog niet bol van magie, maar zijn verfilming van Hans Christian Andersens sprookje Thumbelina (1994) maakte dat eensklaps goed. Bluths musicale samenwerking met Barry Manilow bleek een groot succes.
In 1995 was Bluths Iers liedje echter uitgezongen en samen met Goldman trok hij terug naar Amerika, niet zoals velen verwacht hadden naar het mannetje in de maan van Steven Spielbergs nieuwe Dreamworks, maar wel naar de splinternieuwe studio's van Fox Animation in Phoenix (Arizona), waar hij een zevenjarig contract tekende. Meer dan vier jaar werkte hij uiteindelijk aan Anastasia en nu al is Bluth in voorbereiding voor een nieuwe film. Vijf verschillede verhalen wachten op hun geboorte. Don bluft. De grote muis beeft.