En vanaf deze week met een nieuwe film in de zalen. Eindelijk, zo heet het, want de opvolger van Fargo heeft twee lange jaren op zich laten wachten. Maar de lat lag na zoveel oscartalent dan ook erg hoog en zo'n noblesse oblige moet niet makkelijk zijn om te dragen. Toch kan het broerpaar op beiden oren slapen: The Big Lebowski voldoet op alle vlakken aan de verwachtingen. Meer nog dan in Fargo brengen ze met hun verhaal over The Dude (Jeff Bridges), die tegen wil en dank verstrikt geraakt in wat een ontvoeringszaak blijkt te zijn, humor van een bijzonder allooi. Soms zwart, soms burlesk, maar steeds met Quentin Tarantinoësk grillige personages en hilarische plotwendingen.
Joel Coen en Ethan Coen werden geboren op respectievelijk 29 november 1954 en 21 september 1957 in Minneapolis, Minnesota. Beiden studeerden; Joel filmwetenschap en Ethan filofosie. Joel verzeilde als eerste van de twee broers in de filmindustrie. In 1983 al kon hij als assistent editing aan de slag bij Sam Raimi, toen die zijn onvolprezen Evil Dead inblikte. Sam Raimi's geniaal donkere schaduw bleef ook later over de Coen-films hangen: hij had een rol in Miller's Crossing, schreef als co-scenarist mee aan The Hudscuker Proxy en voerde daar de second unit regie.
Hoewel de Coen-broers er in talloze interviews op wijzen dat ze alles zo'n beetje samen doen, krijgt Joel altijd de regie-credit toegewezen, terwijl Ethan als producent optreedt. Ze delen samen de credit voor het scenario en het knip- en plakwerk gebeurt door ene Roderick Jaynes, een door Joel en Ethan fictief in het leven geroepen nom de plume. De Coens werken graag samen met dezelfde mensen: Barry Sonnenfeld (tegenwoordig zelf regisseur) was verantwoordelijk voor het camerawerk in Blood Simple, Raising Arizona en Miller's Crossing; Roger Deakins nam over in Barton Fink en The Hudsucker Proxy. De vaste componist van de Coens is Carter Burwell. De broers hebben natuurlijk ook hun eigen schare fetish-acteurs, onder wie Joels echtgenote Frances McDormand, John Turturro, Jon Polito, John Goodman en de grootste van allemaal: Steve Buscemi.
Zelfs wakkere geheugens herinneren zich waarschijnlijk nog maar vaag de eerste film van de broers Coen. Die heette Blood Simple en werd gemaakt met een budget van nog geen 1.5 miljoen dollar. Het was een taaie en geestige hommage aan het genre van de film noir, met John Getz, Frances McDormand, Dan Hedaya en M. Emmet Walsh (als een privé-detective) in de hoofdrollen. In deze vroege film oefenden de Coens in wat hun eigen handtekening zou worden: een gespannen, vreemde sfeer, een stemming van wederzijds wantrouwen onder de personages en een bizarre ontknoping. Jammer genoeg wist het grote publiek de film niet te smaken en de prent werd - hoe kan het ook anders - een cultklassieker.
Dat was anders met Raising Arizona uit 1987, waar Nicolas Cage als Hi een crimineel neerpootte, die op het goede pad wil blijven en daarom trouwt met Holly Hunter (Edwina). Deze laatste blijkt echter onvruchtbaar te zijn en het tweetal besluit een kindje van een vijfling te ontvoeren, met alle complicaties vandien. Minder dan in Blood Simple werd één specifiek genre over de hekel gehaald. De Coens ontpopten zich tot een letterlijke tekstverwerker: ze verwerken beeld en tekst, gegevens en thema's, geven er hun eigen draai aan en vermalen het geheel tot een stijfhoofdige film.
Miller's Crossing uit 1990 was uit de losse pols gebaseerd op Dashiel Hammett's The Glass Key (1935) en werd weer een subtiele gangsterfilm, waarin de ganster Johhny Caspar zijn rivaal Leo de toelating vraagt om een zekere Bernie, een bookmaker, uit de weg te ruimen. Tegen die tijd hadden de Coens hun trouwe schare fans opgebouwd, maar echt doorbreken konden ze niet. Voor hun volgende film betekende het dan ook de dood of de gladiolen. Het werd het laatste, want Barton Fink werd met tonnen lof onthaald op het filmfestival van Cannes en ging aan de haal met de Gouden Palm en de prijzen voor beste acteur (John Turturro) en beste regie.
In Barton Fink is de titelfiguur een schrijver (John Turturro) die van Hollywood de kans krijgt een scenario te schrijven over worstelaars. Met een nakende writers block voor ogen, belandt hij al snel in het bed van de vrouw van een aan lager wal geraakte collega. Als hij die ochtend ontwaakt, staken de Coens hun vertelling en gooien ze de film over een heel andere boeg. Hoe typisch is het dat de Coen-broers het scenario voor deze film schreven in de periode dat hun inspiratie voor Miller's Crossing opgedroogd was. Of hoe ze een writers block weten om te buigen in een creatief hoogtepunt.
Hoewel Barton Fink ondanks het artistieke succes nog geen zes miljoen dollar opbracht, gooide Joel Silver tegen The Hudsucker Proxy uit 1994 maarliefst 31 miljoen dollar aan; de eerste keer dat broer en broer Coen zoveel geld van een major company kregen toegestopt. De film speelt zich af in het New York van de jaren vijftig. Nadat de voorzitter van de firma Hudsucker Industries zelfmoord heeft gepleegd, neemt de sul Norville Barnes (Tim Robbins) zijn taken over. Tot zijn eigen grote verbazing vindt hij de hoepel uit, en zijn uitvinding slaat in als een bom.
En toen volgde oscarwinnaar Fargo, op het eerste gezicht nauwelijks te plaatsen in de filmografie van de Coens, maar bij nadere inspectie nog het meest verwant met Miller's Crossing. Fargo is een bizarre combinatie van misdaadfilm en zwarte komedie, volgens de makers gebaseerd op waar gebeurde feiten. Het verhaal speelt zich af in Fargo, Noord-Dakota, en handelt in principe weer over een opgezette ontvoering. Er loopt echter, zoals altijd, het één en ander mis en het is de zwangere politie-agente Marge Gunderson die het hele zaakje zal moeten oplossen.
Met de release van The Big Lebowski leggen de Coens weer een stuk bij in de legpuzzel van hun bizar landschap, dat bevolkt wordt door wispelturige gangsters, exentrieke moordenaars, geflipte huisvrouwen en onschuldige anti-helden. Geleid door ongewilde neurose of oncontroleerbare frustratie worden ze meegesleept door het gebeuren der dingen, in een wereld van gemaakte plannen, maar vooral gemiste kansen. Op die manier trekken Joel en Ethan Coen ons telkens weer uit de conventionele cinema, op weg naar de randen van hun eigen verbeelding, hun eigen verdraaiing van de werkelijkheid. Vele critici proberen de Coens te plaatsen in het filmlandschap van een Hitchcock, Kubrick, Scorsese, Altman, Spielberg of Coppola. Maar in het Coen-landschap waar slechts gradaties van onschuldige waanzin bestaat, is dat een onmogelijke opdracht.