Zowel Mark Dippé als Jeroen Krabbé draaien al jaren (heel succesvol) mee in het circuit van die zevende kunst. Dippé is één van de pioniers van de digitale effectenrevolutie en schreef gedurende zijn verblijf bij Industrial Light and Magic geschiedenis door onder meer aan Jurassic Park mee te werken. Jeroen Krabbé heeft, als acteur in onder meer Soldaat van Oranje, De Vierde Man, The Living Daylights, Kafka, Immortal Beloved en The Fugutive, eigenlijk geen introductie nodig. Beiden vonden de tijd rijp om nu zelf eens achter de camera te gaan staan (hoewel Jeroen Krabbé in een duister verleden wel al de kinderfilm Martijn en de Magiër had ingeblikt). En zij zijn zeker niet de enigen die de overgang hebben gemaakt. Half Hollywood staat aan te schuiven om het ook eens te mogen proberen. Van acteur, director of photography, schrijver tot speciale effecten specialist.
Het gebeurt zelden dat het publiek er attent wordt op gemaakt dat één of ander technisch/artistiek genie het klapbord ter hand heeft genomen. Meestal zijn het de regisserende acteurs die met alle eer (en publiciteit) gaan lopen. Tenzij je natuurlijk Jan DeBont heet. Want toen hij de monsterhit Speed afleverde, begonnen de geruchten een eigen leven te leiden. Zou het dan toch waar geweest zijn dat DeBont heel wat actiesequenties zelf regisseerde toen hij nog director of photography (DP) was? Het beste uit Die Hard en Hunt For Red October zou dan wel eens van zijn hand kunnen zijn. Ook Barry Sonnenfeld legde dezelfde weg af, maar als we zijn filmografie bekijken, lijkt zijn talent voor regie veel stabieler. Zowel The Addams Family, Get Shorty als Man In Black waren immers puik vakwerk. Het blijkt aanstekelijk te zijn, want een andere grote naam in de DP-wereld heeft ook de grote stap gezet. Mikael Salomon, die onder meer Always, The Abyss en Backdraft fotografeerde, mocht onlangs nog Hard Rain inblikken. Heel waarschijnlijk niet de beste carrièrekeuze die de man kon maken.
Ook in het FX-departement zijn er blijkbaar meer geroepen dan uitverkoren. De drie bekendste namen die het wel gemaakt hebben zijn ongetwijfeld James Cameron, David Fincher en Frank Oz. Cameron begon zijn carrière in de FX-hoek van Battle Beyond The Stars, en was zelfs voor Apollo 13 nog FX-consulent (weliswaar zonder vermeld te worden op de aftiteling). Zijn regie-debuut was het twijfelachtige Piranha II: The Spawning, maar sindsdien is hij wel opgeklommen tot de koning van de wereld. David Fincher werkte ooit aan het Star Wars-universum van George Lucas, en kreeg na een mislukte start met Alien3 de wereld op z'n knieën met het geniale Se7en. En ook voor Frank Oz lijkt de nieuwe job wel goed mee te vallen. Hij zal misschien altijd wel verbonden blijven met Miss Piggy en Yoda, maar met onder meer The Dark Crystal, Little Shop of Horrors, The Indian In the Cupboard en In & Out kan hij zijn carrière-wissel wel als geslaagd beschouwen.
Maar jammer genoeg is niet elk FX-genie ook een geboren regisseur. Douglas Trumbull bijvoorbeeld is een levende FX-legende (2001: A Space Odyssey, Blade Runner) maar zijn films (Silent Running, Brainstorm) zijn nooit echt succesvol geworden. Hetzelfde geldt voor Stan Winston. De man heeft zowat aan elke film met animatronics-poppen meegewerkt, maar zijn eigen langspeelfilms zal wel niemand gezien hebben. Pumpkinhead en A Gnome Named Gnorm zullen het grote scherm wel nooit gehaald hebben. Misschien kent u hem beter van de Michael Jackson videoclip Ghosts, die ook bekend werd omdat Stephen King en Mick Garris er samen met Wacko Jacko het scenario voor schreven. Make-up collega Tom Savini kan dan wel weer pronken met één klassieker: Night Of The Living Dead.
Dit jaar nog zullen nog twee grootmeesters de overgang wagen. John Bruno werkte ooit mee aan The Abyss en True Lies (en begon ook aan Titanic) en zette nu zijn geld op de thriller Virus. Rob Bottin is ook al zo'n levende FX-legende. Met The Thing kreeg hij zelfs de meest geharde horror-fan van z'n stoel, en onlangs konden we nog z'n werk bewonderen in het geslaagde Mimic. Voor we in 1999 zijn regiedebuut, het nu al legendarische Freddy versus Jason te zien krijgen, kunt u nog zijn monster in het verrassend goede Deep Rising gaan bekijken.
Ook heelwat schrijvers willen het witte scherm van hun tekstverwerker op tijd en stond wel eens inruilen voor het grote werk. De Titanic van de moderne literatuur, Stephen King, heeft naast zijn megalomane verzameling romans en verhalen een hand gehad in exact 57 films, maar kwam nooit verder dan één enkele regie-poging. In 1986 verfilmde hij zijn eigen korte verhaal Trucks als Maximum Overdrive. Zijn woorden mogen symbolisch staan voor heelwat andere beginnelingen: 'Ik wou dat iemand me verteld had hoe weinig ik eigenlijk van regisseren afwist en hoe afschuwelijk moeilijk het is.' Met veel gevoel voor understatement werd Maximum Overdrive nu niet meteen de beste King-film ooit.
Dan bleek Clive Barker over heelwat meer regie-talent te beschikken. Maar voor hij zijn groot Hollywood regiedebuut maakte met Hellraiser, had de man dan ook al ervaring met acteurs opgedaan in de Londense theaterwereld en had hij als student twee lowbudget films ingeblikt: Salome en The Forbidden. Na zijn gewaardeerde Hellraiser, stond Barker nog twee keer achter de camera's: voor Nightbreed en Lord of Illusions, allebei adaptaties van eigen werk. Ook David Mamets roots ligt in het theater. Voor het grote scherm schreef hij onder meer de hitfilms The Postman Always Rings Twice en About Last Night (naar zijn eigen toneelstuk Sexual Perversity in Chicago), voor hij zijn debuut maakte met House of Games. Mamet bleef daarna als schrijver aan de slag en leverde onder meer werk af voor The Untouchables, We're No Angels, Hoffa, Vanya on 42nd Street en Wag the Dog. Dit jaar stond hij voor The Spanish Prisoner weer achter de camera's.
Wie kan er geloven dat Michael Crichton ooit zelf regisseur was? De man die momenteel aan het derde luik van zijn Jurassic Park oeuvre schrijft, maakte begin jaren tachtig enkele films: Pursuit (naar zijn eigen roman Binary), Westworld, The Great Train Robbery (beiden weer naar eigen werk), Coma (naar de roman van Robin Cook) en drie films die minder bekend werden: Looker, Runaway en Physical Evidence. Paul Auster had natuurlijk ook al een heel oeuvre bij elkaar gepend, toen hij in 1995 met Blue in the Face en Smoke in filmland doorbrak. Randall Wallace scoort momenteel met The Man in the Iron Mask, maar had daarvoor al Dark Angel, On Wings As Eagles en vooral Braveheart uit zijn vingers laten vloeien.
John Sayles heeft ook heel lang op zijn doorbraak moeten wachten. In de late jaren zeventig begon hij als schrijver voor Roger Corman en gedurende de jaren tachtig leverde hij scripts voor Alligator, Battle Beyond the Stars, The Howling, Men of War en Piranha. Hoewel hij links en rechts al wat voor Corman had mogen regisseren, volgde zijn écht debuut pas in de jaren negentig met The Secret of Roan Inish en vooral Lone Star. Opvallend is dat Sayles en passant nog steeds (en uncredited ) blijft verder schrijven: The Quick and the Dead, Apollo 13 en Mimic mag hij in feite op zijn c.v. bijzetten. Sayles bewijst dat de overgang van pen naar camera niet onomkeerbaar is en de artiesten die beide jobs combineren en afwisselen zijn in Hollywood dan ook legio. Neem Quentin Tarantino, neem Walter Hill, Oliver Stone, Robert Zemeckis of Mel Smith.
Natuurlijk zijn er ook de gevallen van twaalf stielen en dertien ongelukken. Dan O'Bannon regisseerde in zijn hele carrière slechts twee illustere films (Return of the Living Dead en The Resurrected) maar was op de één of andere manier wel betrokken bij enkele van de grootste SF-parels van de laatste decennia: als editor van Dark Star, computer animator van Star Wars en schrijver van Alien. Die film leverde hem genoeg krediet op om al schrijvend verder door het leven te gaan: hij pende later nog onder andere Invaders From Mars, Total Recall, Screamers en Hemoglobin bij elkaar. Ook Frank Darabont begon helemaal onder aan de ladder, als hulpje op de set van The Seduction. Later werkte hij mee als set dresser, voor hij het scenario van A Nightmare on Elm Street 3: Dream Warriors mocht schrijven. Na die film tikte hij een indrukwekkende lijstje scenario's bij elkaar, waaronder The Blob en The Fly II, voor hij eerst Buried Alive en vervolgens natuurlijk The Shawshank Redemption mocht regisseren. Ook Darabont blijft als scenarist actief: Frankenstein, Eraser, The Fan en Saving Private Ryan rolden door zijn tekstverwerker.
Maar het zijn natuurlijk de acteurs en actrices zelf die de kroon spannen. En vaak zijn ze nog heel succesvol ook. Denk maar aan de legendarische Buster Keaton en Orson Welles. Welles leverde met zijn regiedebuut Citizen Kane volgens velen de beste film aller tijden af, terwijl Keaton nog steeds de kijker weet te beroeren met z'n zwart-wit pareltjes. Een eigenschap die weinig hedendaagse komische films over enkele jaren zullen hebben.
Het lijkt de doodgewoonste zaak dat de gevestigde acteurs op één of andere dag de megafoon zelf ter hand nemen. Clint Eastwood bijvoorbeeld, of Dennis Hopper. En telkens met (op termijn) legendarische gevolgen, denk maar aan Unforgiven en Easy Rider. Zelf Jack Nicholson nam een aantal keer het heft in eigen handen (onder meer voor The Two Jakes), en Robert Duvall kreeg dit jaar nog een oscarnominatie voor The Apostle. Van Robert Redford is geweten dat hij enkel pareltjes brengt, en met The Horse Whisperer later dit jaar zou het nog eens prijs kunnen zijn. Zelfs Robert De Niro waagde zijn kans met A Bronx Tale.
Grootmeesters Marlon Brando en George C. Scott legden zich vooral toe op acteren, maar wisten in hun spaarse vrije tijd toch even achter de camera te kruipen. Woody Allen is er bijna niet van weg te slaan. Het is trouwens opvallend hoe een aantal geniale acteurs en actrices ook achter de camera uitblinken. Denk maar aan Tim Robbins, Jodie Foster, Kevin Spacey, Danny DeVito, Mel Gibson, Warren Beatty Penny Marshall en Tom Hanks. Over het acteertalent van Kevin Costner kan zwaar gediscussieerd worden, maar als regisseur weet hij duidelijk wat hij aan het doen is (als hij tenminste de aandacht van zichzelf weet af te houden).
De boom van de regie-debuterende acteurs is de laatste jaren trouwens erg groot; het lijkt wel een trend. Van Al Pacino, Emilio Estevez, Billy Bob Thornton, John Turturro, Steve Buscemi, Keifer Sutherland, Gary Oldman, Allan Rickman, Christopher Reeve, Jonathan Frakes tot Eddie Murphy. Om het spannend te maken, mag u zelf eens nadenken om welke films het hier gaat. Vaak bleef het voor deze mensen trouwens bij een eersteling.
Gelukkig bleef het ook voor William (James T. Kirk) Shatner bij één regie-bijdrage voor de Star Trek-saga (de aflevering met rugnummer 5), afgezien van zijn gastregies voor de tv-series Kung Fu en TekWar. Dan deed zijn Star Trek-collega Leonard Nimoy het stukken beter: hij stond achter de camera's voor Star Trek 3 en 4. Ook Ron Howard ontsteeg de tv-serie en werd na Happy Days een succesvol regisseur met ondermeer Apollo 13 op zijn filmografie. Succesvol zal Jean-Claude Van Damme wat regisseren betreft ongetwijfeld nooit worden, na zijn John Woo imitatie (maar gigantische flop) The Quest. Dan heeft collega spierbundel Sylvester Stallone (Rocky 2, 3, 4) er toch iets meer van gebakken. Hij blijkt beter te renderen achter, dan voor de camera. Relatief gezien dan toch.