SEMBENE OUSMANE

'Ik weiger mezelf te verkopen'

Deze 74-jarige Senegalees is één van de belangrijkste schrijvers van sub-Sahara Afrika en tegelijkertijd één van z'n belangrijkste cineasten. Geboren als zoon van een visser in wat toen Afrique Occidentale Française was, baant hij zich een weg door de praktijk van allerhande stieltjes (beurtelings als mecanicien, metselaar, bouwvakker, keramist, vakbondsman), die in zijn latere artistieke oeuvre meer dan eens een belangrijke inspiratiebron vormden, vooraleer hij gemobiliseerd wordt en in het Franse koloniale leger dient.

Na de oorlog werkt hij een tiental jaren als dokwerker in Marseille. Deze discriminerende ervaring zal hem in 1956 aanzetten zijn eerste boek en autobiografische roman Le Docker Noir (De zwarte dokwerker) te schrijven. In 1950 wordt hij lid van de Communistische Partij en helpt hij mee bij het organiseren van de zwarte arbeiders in Frankrijk. Tien jaar later keert hij naar zijn geboorteland terug en maakt vervolgens een lange rondreis door West-Afrika. Langzaam begint het bij deze self-made man te dagen hoe weinig effect boeken hebben in een gebied waar, zoals hij zelf zegt, 'tachtig procent van de bevolking geen Frans spreekt en de overige twintig procent maar zelden een boek leest.'

Anderzijds merkte hij op dat de plaatselijke bioscopen wel elke avond volle zalen trokken. Dit zette de autodidact aan filmschool te lopen. Maar in Frankrijk werd Ousmane niet toegelaten waarop hij een Russische studiebeurs aanvroeg teneinde een jaar naar Moskou te gaan om er in de Gorki-studio's filmtechniek te studeren onder leiding van Sergei Gerasimov en Mark Donskoi.

Het filmografisch oeuvre van Sembène Ousmane vangt aan in 1963 met een voor Mali gedraaide korte documentaire over het Songhai-rijk (Sonrai). Datzelfde jaar draait Sembène Ousmane zijn eerste korte speelfilm (Borom Sarett), tevens de eerste film van een zwarte Afrikaanse cineast, die meteen de Franse debuutprijs te Tours in de wacht sleept. Op dat ogenblik genoot Ousmane reeds een grote bekendheid als auteur. Waar hij als schrijver (in het Frans) een beperkt aantal Afrikaanse lezers bereikte, was het doelpubliek dat zijn films bekeek veel groter. Oorspronkelijk waren Ousmanes prenten voornamelijk adaptaties van zijn romans.

Ook met zijn tweede kortfilm uit 1963, Niaye, behaalt Ousmane een prijs in Tours. La noire de ... (1966) is dan weer de allereerste Afrikaanse langspeelfilm, gerealiseerd door een zwart-Afrikaanse regisseur. Met deze prent sleept hij meer dan één prijs in de wacht (Carthago-Tunis, Algiers en de Jean-Virgo prijs in Parijs). Het onderwerp van deze film, emigratie vanuit Afrika naar Europa, was toen nieuw, maar zou naderhand één van de belangrijkste thema's van de zawrt-Afrikaanse film worden. Van het twaalftal films op Ousmanes actief, is Mandabi (De Postwissel) uit 1968 één van zijn meest succesrijke. De prent is een verfilming van zijn bekendste boek - een werk dat overigens verplichte literatuur is in de scholen. In deze satire wordt voor het eerst kritiek geleverd op de nieuwe bureaucraten, voor wie geld het allerhoogste goed is. Daarbij wordt de goedgelovige burger voortdurend van Pontius naar Pilatus verwezen. De Postwissel is de eerste kleurenfilm in Afrika en de allereerste film die een Afrikaanse taal (het Wolof) als voertaal heeft.

Nadien volgen Tauw (1970) en Emitai (1971), twee prenten waarin de kolonisatoren bekritiseerd worden. In 1974 verschijnt Xala (Impotentie), een film die de kulturele, economische en politieke onmacht van de heersende klasse behandelt. Volgens Ousmane verraadt deze klasse haar roots. Ze heeft haar 'négritude' verloren. Uit deze film werden vijf minuten gecensureerd. Het zal niet de laatste keer geweest zijn dat Ousmane hiermee geconfronteerd wordt. Erger is het wanneer hij bij zijn volgende product, Ced(d)o (1977) door de Senegalese overheid bijna beschuldigd wordt van landverraad. Het zal tien jaar duren vooraleer de cineast terug een film maakt. Le camp ded Thiaroye uit 1987 is opnieuw een aanklacht tegen de koloniale mogendheden en dan in het bijzonder tegen de Fransen.

Guelwaar (1992)) is Ousmanes laatste prent, een soort zoektocht naar een lijk dat opengetrokken wordt naar de centrale problematiek van de Westerse voedselhulp en ontwikkelingssamenwerking. Het belangrijke oeuvre van Sembène Ousmane is waarlijk pionierswerk op het gebied van de Afrikaanse film.