Er bestaat op dit ogenblik nog welgeteld één kopie van dit indringende 16mm-werk. Als je dan beseft dat de productie van Sama zes jaar in beslag nam (van 1982 tot 1986) in plaats van de geplande zes weken, dan kan je allicht begrijpen dat de cineaste dit quasi handwerk beschermt als een moeder haar kind.
Sabra, een meisje uit een dorp in Zuid-Tunesië, werd geboren op een vrijdag. Volgens haar moeder zou dit betekenen dat het kind een lege schelp is. Integendeel, Sabra (letterlijk 'geduld') zal zich ontpoppen tot een sterke persoonlijkheid. Gesteund door haar moeder trekt Sabra naar Tunis om verder te studeren. Als ze dan niet slaagt, rest haar nog één mogelijkheid: net zoals haar broers naar Frankrijk emigreren. Of ze die stap zet blijft een open vraag.
In de lijn van de overige Festivalfilms krijgen we hier geen huilende meelijwekkende vrouw maar een zelfstandig en onafhankelijk iemand die staat op haar vrijheid. Enerzijds ziet de moeder haar kind niet graag vertrekken, anderzijds dan weer wel want ze wil niet dat de geschiedenis zich herhaalt, zoniet zou haar eigen leven zinloos geweest zijn.
Dat het maken van de film zo veel voeten in de aarde heeft gehad, houdt natuurlijk verband met een gebrek aan middelen (de Tunesische filmcommissie geven elk goedgekeurd project 10 miljoen frank subsidie, de rest moet van privé-financiers of van het buitenland komen), maar vooral met het onderwerp. De fosfaatmijnen in Zuid-Tunesië, waar de opnames plaats vonden, was immers de enige regio die zich politiek kon profileren. Op dat vlak geen problemen. Dat individuele ontplooiing van de vrouw hier staat tegenover fnuikende aanpassing aan de traditie deed de deur dicht voor de meeste producenten.
Ben Mabrouk heeft met Sama eveneens de Noord-Zuid tegenstelling in haar land willen benadrukken aan de hand van het dialectenverschil. In Tunis werd dat zuiderse taalgebruik erg denigrerend bekeken. De producenten in Noord-Tunesië waren zelfs zo gechockeerd dat ze het wilden dubben in het lokaal dialect maar dit heeft de vrouwelijke regisseur weten te verhinderen.
Opvallend is de afwezigheid van het aspect religie in de film. Dat komt omdat het fundamentalisme in 1982-1983 nog niet zo'n probleem vormde zoals na de Golfoorlog. Enkele vrouwen liepen gesluierd en dat was het. Veeleer waren het de gebruiken die verstikkend werkten. Zij wogen (en wegen) even zwaar als religie dat nu doet. Vooral de blinde toepassing van uitgeholde tradities wordt repressief. Het is om die reden dat vrouwen verhinderd werden te studeren, niet omwille van religieuze motieven.
Nergens in de Musulmaanse wereld is de vrouw vrij. Maar het beklemmende van de film staat eigenlijk tegenover het gegeven dat Tunesië vorig jaar werd uitgeroepen tot het Maghreb-land dat de vrouw het meest vrij behandelt (polygamie is verboden/vrouw blijft nog wel verstoken van erfrecht). Dat is geweldig, aldus Ben Mabrouk, maar Tunesië is erg klein om alleen het voortouw te trekken.
Ondanks het mindere montagewerk en de soms binnensmondse scènes ontving deze film reeds diverse prijzen: Caligari-prijs van het 'Internationales Forum des Jungen Films' op het festival van Berlijn 1988 en de OCIC prijs in Troia/Portugal 1989. Dat heeft alles te maken met de delicate manier waarmee de problemen van deze jonge vrouw op pellicule werden vastgelegd.
Genre: Feministisch drama
Speelduur: 1u30
Regisseur: Néjia Ben Mabrouk
Acteurs: Mouna Nourredine, Basma Tajin, Fatma Khemiri