ACHTERKLAPPER

De foto

Movie's achterklapper is een column waar op onregelmatige tijdstippen ingezoomd wordt op gebeurtenissen in de kantlijnen van het filmgebeuren.

Als groentje ben je snel tevreden. In die heerlijke dagen dat wij allen nog een onbeschrijfbare onschuld met ons meezeulden, werd Movie elke vrije zondag bij elkaar geschreven door exact drie mensen. Het waren de machtige dagen dat Christophe en ik, haast kinderen nog, zo blij waren dat we naar de persconferentie mochten die Danny DeVito in Brussel gaf naar aanleiding van Renaissance Man. Hij was, voor zover ik me kan herinneren, de eerste echt beroemde Hollywoodster die we in levenden lijve zagen. Later zouden er natuurlijk nog meer volgen, maar die ontmoeting blijft iets speciaals hebben, ze neemt voor altijd een bijzondere plek in in ons geheugen en hart. Ik herinner me nutteloze details, zoals hoe we terug naar Christophes huis moesten rijden omdat hij zijn fototoestel vergeten was. Ik herinner me dat het druilerig weer was, toen in september, en hoe we bijna tevergeefs foto's probeerden te maken van de landende helicopter, waarin DeVito zich als een dwerg verborgen had. En ik herinner me natuurlijk hoe we via de persmensen naar binnen konden glippen, die glimmende magische perskaart zichtbaar op onze fiere, jonge borst gespeld. Het was de eerste keer dat we die spanning voelden, die nerveuze onrust om een ster te ontmoeten.

Later hebben we er vaak over gepraat en geschreven, over hoe absurd het eigenlijk is. Wat heeft een DeVito immers meer dan wij? Ik kan in feite méér dingen opnoemen die hij niet heeft. En toch: met open mond heb ik geluisterd naar Clive Barker, terwijl hij met zichtbaar genot zijn sigaar rookte en nipte aan een glas witte wijn. Met verbazingwekkende aandachtigheid zat ik te kijken naar Wes Craven, die kort en bitsig vragen beantwoordde alsof het hele circus hem geen ene moer interesseerde. En met bijna kwijlende devotie zag ik hoe Robert Englund het publiek bespeelde in een spel van vraag en antwoord. Anderen deelden het gevoel met mij. Christophe toen hij zijn groot idool H.R. Giger ontmoette, of toen hij oog in oog stond met Gillian Anderson, de dochter van God. Of Jo, die eens trots en koppig een aantal uren de barre koude heeft getrotseerd om James Cameron uit een Londense bioscoop te zien wandelen. Wat is toch die vreemde aantrekkingskracht die sterren op ons uitoefenen? Is het hun uitstraling, hun charisma? Deels. Ik denk vooral dat het bewondering is voor wat ze gepresteerd hebben. Bewondering voor hun werk, bewondering voor hun persoon en alles waar ze voor staan. En ik denk dat iedereen, zonder uitzondering, nood heeft aan een idool, aan iemand waar hij zich aan spiegelt en waar hij zich aan optrekt. Of het nu de Paus is of Bart Kaëll, Allah of John Williams: sommige mensen leven ons leven. Ze bepalen wie wij zijn, we dienen ze en zij dienen ons.

Mijn idool heet: Stephen King. Kort samengevat een man die veertig romans en meer dan honderd korte verhalen schreef en naar wiens werk ongeveer 45 films gemaakt zijn. 225 miljoen boeken heeft hij wereldwijd al verkocht en nu kwam hij voor het eerst in 25 jaar naar Engeland, Londen. Als ik mijn droom achterna wilde, als ik mijn Almachtige wilde ontmoeten, dan moest ik er gewoon naartoe gaan. En dus stond ik verleden week dinsdag rond tien uur aan te schuiven in de Waterstones boekenwinkel, in de mooie gotische gallerij van Leadenhall Market. Daar stond ik dan, nog geen halfuur eerder spreekwoordelijk voet aan wal gezet op een grijs en troosteloos Engeland, nog gepakt en gezakt, met pijn in de benen en slaap in de ogen en een beetje bitsig vanwege een onverwachte controle in Waterloo. Daar stond ik, wachtend om de man te zien die voor een deel mijn leven beheerste. Ik kreeg een papiertje in de handen gestopt met nummer 66 op. Voor mij in de rij, die zich als een levende slang langsheen de boekenrekken door de winkel slingerde, stonden dus al 65 mensen. Allemaal bondgenoten, dacht ik, allemaal zijn we hier voor hetzelfde. Voor hem, voor ons idool. Goed twee uur later kon er geen levende ziel meer bij in de winkel, en wandelde King onder onder politiebegeleiding binnen. Nog eens een halfuur later was mijn moment aangebroken.

Ik kan het me nog precies herinneren en toch ook niet. Het ging ongeveer als volgt: ik gaf mijn fototoestel aan een dame met een vreemde glimlach op haar gezicht, stapte met mijn exemplaar van Bag of Bones (Kings nieuwste boek) naar hem toe, drukte hem de hand, gaf hem het boek, draaide me om voor de foto, wisselde enkele woorden met hem, greep mijn boek terug en grabbelde het fototoestel uit de handen van de vrouw. Hoelang het geduurd heeft? Een minuut? Twee? Drie? Ik weet het niet. Hoe meet je een droom? Welke objectieve instrumenten wend je aan om zo'n moment in minuten en seconden te wringen? Die zijn er absoluut niet. In halve trance wankelde en wandelde ik verder, klaar om de winkel te verlaten. Ik had mijn handtekening, ik had mijn boek, God, ik had zelfs mijn foto. Ik voelde de spanning door mijn aderen stromen, mijn benen hadden zich gevuld met lood. Toen ik bijna buiten was, klikte er iets in mijn hoofd dat me terug tot de realiteit bracht. Was ik echt van plan de winkel te verlaten terwijl hij hier nog was? Natuurlijk niet, ik moest elke minuut beleven, elke seconde tot de mijne maken. Dit was een ervaring die ik geen tweede keer in mijn leven zou meemaken.

Ik maakte dus rechtsomkeer, perste me door een groep mensen en vatte post ergens achter een standje met boeken. Wat een godsgeschenk. Van daaruit had ik een ideaal zicht op wat er gebeurde. Een heel fotorolletje gleed door mijn toestel. Ik fotografeerde King terwijl hij dronk, terwijl hij signeerde, een praatje sloeg met iemand. En ik werd me bewust van het absurde van de situatie. Die man daar, die man die wij allen verafgoodde als was hij de Almachtige, als was hij de vertegenwoordiger van God op aarde, die persoon die multimiljonair was, was ook maar een mens van vlees en bloed. Een man in een blauwe jeans, een man met een rode t-shirt, met een bril en een oogziekte die binnen enkele jaren blindheid zal veroorzaken. En toch: elke fan schreed naar hem toe met een waardigheid die ze zelfs voor de Koning of de Paus niet zouden kunnen opbrengen. Sommigen hadden cadeaus voor hem bij: een zelfgeschreven verhaal, een zelfgemaakte video, een boek. Wierook, mirre en goud: het werd aan dit Opperwezen geofferd. Met een groeiend ongeloof zag ik het aan. Ik zag hoe King een handtekening zette op de schoen van een klein kindje. Ik zag hoe een man, onhandig door de zenuwen, bijna het tafeltje waar King aan signeerde omstootte, ik zag hoe het meisje in tranen uitbarstte toen ze van King een kus kreeg. Minuten later stond ze met rooddoorlopen ogen haar verhaal te vertellen aan enkele vriendinnen. Een kus van nota bene een man die beschouwd wordt als een van de lelijkste mensen op deze aardbol.

Later, 's avonds, gaf King een optreden in de Royal Festival Hall op de Londense South Bank, op een boogscheut van de Festivalpier, waar je een schitterend zicht hebt op de Thames en zijn immer verlichte plezierbootjes die erop ronddobberen. Ik zat als één van de eersten in de zaal, vijf hoog weliswaar, en zag hoe de zaal zich vulde tot hij nokvol zat. Ik had een droge soort toespraak verwacht, misschien wel een saaie lezing over weet ik wat, maar ik werd verrast. Het decor was een scène uit Bag of Bones (met een buitenverblijf en een strandstoel). Toen King het podium betrad, scheurde er een nooitgehoorde staande ovatie los en imiteerden honderden fototoestellen het ergste onweer dat ik ooit gezien had. Maar weer overviel mij dat vreemde gevoel. Weer zag ik hem daar staan, in blauwe jeans en rood t-shirt. Ik probeerde me voor te stellen hoe deze man thuis achter zijn tekstverwerker zat te tikken, zwoegend en wroetend aan een zin van een roman die maar niet wilde vlotten. Ik vroeg me af wat hij dan deed. Ik vroeg me af wat hij at, hoeveel keer per week hij een douche nam, in welke winkel hij zijn cornflakes kocht, of hij af en toe wel eens naar een seksfilm keek. Maar op het moment dat hij sprak, met zijn bezwerend Amerikaans accent, zonk ik weer weg in die vreemde roes en bleef ik naar hem luisteren, bijna drie uur lang, in trance, in hypnose. Ik luisterde naar het verhaal dat hij voorlas en ik luisterde naar wat hij daarna allemaal te vertellen had. Deze God. Deze Almachtige.

Een dag later wandelde ik opnieuw naar de Royal Festival Hall, mijn fototoestel, mijn boeken en al mijn herinneringen netjes ingepakt in de zak op mijn rug. Op de Festivalpier was het koud en er waaide een ijselijke wind. Ik keek uit over een nog slapend Londen en dacht aan de vorige dag, zoals ik er nu nog altijd aan denk. De foto van Stephen King en ik hangt aan de muur, uitvergroot tot op bijna overdreven A4-formaat, ingekaderd, opgepoetst als een relikwie. Er gaat geen uur voorbij of ik kijk even naar de foto. Op de één of andere manier straalt hij kracht uit. Op de één of andere manier geeft hij me inspiratie om door te gaan wanneer het weer eens moeilijk gaat. Het klinkt paranoïde, ik weet het. Het klinkt zoals een oude vrouw die op bedevaart naar Lourdes gaat op zoek naar heling en genezing. Maar ik denk dat het daar allemaal om draait met die idolen en sterren. Ze concretiseren onze dromen. Ze zijn een voorbeeld, een model, een paradigma van de ziel. Ze geven ons de kracht om verder te gaan. Dag per dag. Zoals het leven.