Soms lijkt het alsof alles misloopt. Soms spat een droom uit elkaar en wat rest zijn splinters herinneringen aan wat nooit is geweest. Gruizelementen. Brokstukken. Fragmenten. Als de zon moet schijnen, striemt de regen in lange strepen uit de hemel. Als we moeten opnemen, ligt iemand verdoofd door de koortswerende middelen onder de wol. De wet van Murphy, heet dat: alles wat fout kan gaan, gaat ook fout. Toen Jo en ik zaterdagavond een beetje suf en wezenloos de onzin van Godzilla ondergingen, zat Murphy in het zitje tussen ons beiden, als een chaperon tussen twee spreekwoordelijke geliefden (laat hier geen misverstanden over bestaan: spreekwoordelijke dus). Murphy hield ons gezelschap en was vast van plan om niet van onze zijde te wijken. Eerlijk gezegd hadden we er beiden nog maar weinig vertrouwen in. Ik nog het minste, denk ik. Ik voelde dat onze kortfilm ook deze keer weer ging mislukken en bereidde me langzaam voor op een zoveelste ontgoocheling. Sofie was ziek; Jan had een overvolle agenda. We gingen op woensdagavond opnemen, en dinsdagmiddag had ik dat verlossende mailtje van Jo nog steeds niet gekregen. Het kwam pas 's avonds. Om 19.03 uur.
Dat betekende het kantelpunt, de balans helde eindelijk over in de positieve richting. Sofie was genezen; Jan had een avond tijd. En dus zaten Jo, Jan, Sofie en ik exact vierentwintig uur later in een café te wachten tot de nacht de dag zou opeten, want dit segment van onze kortfilm speelde zich 's avonds af. Ik was in de late namiddag voor alle zekerheid nog even over de kermis gelopen. Je wist nooit of die dit jaar uitzonderlijk een dag eerder zou opkramen. Maar hij stond er nog, gelukkig. Omdat het de laatste dag was, liep er behoorlijk veel volk rond en zowel Jo als ik wisten dat dit problemen zou kunnen opleveren voor ons eerste shot. We bespraken met Sofie en Jan wat er van hen verwacht werd. Ik legde hen in grote lijnen het verhaal uit; Jo besprak in het kort enkele shots die hij in gedachten had (het script, de dialogen en de storyboards bestonden immers alleen maar in ons hoofd). Het viel me op hoe zenuwachtig hij was, deze man die anders zoveel rust en kalmte uitstraalt. Deze stoïcijn werd overmand door de zenuwen. Ze slopen bij hem binnen en namen bezit van hem. Maar ik denk dat het een gezonde zenuwachtigheid was. Een spanning die nodig is om jezelf te overtreffen.
Dat zou nodig zijn ook, want terwijl we daar zaten wisten we maar al te goed dat dit het moment van de waarheid was. Het was nu of nooit, want na het fiasco van onze vorige kortfilm (Doodzonde, waar vast nog wel eens een Achterklapper aan gewijd wordt) konden we ons geen misstap meer veroorloven. We hadden geleerd uit onze fouten en waren vast van plan het er deze keer beter van af te brengen. De avond viel. Tot onze schrik en geruststelling tegelijk zagen Jo en ik hoe ook Jan en Sofie nu zenuwachtiger werden. Waarom hadden ze hier in godsnaam ook aan willen meedoen? De tijd tikte tergend langzaam weg. Jo prutste aan zijn camera. Ik dronk mijn cola. Sofie lachte. Om half negen was de avond volledig inktzwart gekleurd. Het was nu of nooit. De dood of de gladiolen. Roem of vergankelijkheid.
Tegen middernacht zat het erop, goed vijftig minuten videomateriaal was door Jo's camera gerold. Zoals we verwacht hadden, verspeelden we het meeste tijd aan het redelijk complexe openingsshot, waarbij de camera van de lucht naar het reuzenrad pant, om vervolgens in één vloeiende beweging naar het personage van Sofie toe te rijden, die ergens in de verte meewarig voor zich uit staat te staren. Een X-Files-achtig shot, maar toch niet helemaal. Het was wachten tot het rad draaide, het was wachten tot er niet teveel maar ook niet te weinig mensen door het gangpad wandelden. Maar het lukte. Wonderwel, het lukte. De shots daarna liepen (min of meer) van een leien dakje. Jo en ik hadden, als producenten van de film, Sofie en Jan tweeduizend frank toegestopt, die ze erdoor mochten draaien aan attracties, eten, spelautomaten en wat je zoal allemaal op een kermis kunt doen. En Jo maar filmen. En ik maar letten op details die één van hen zou vergeten.
Uiteindelijk filmden we op de botsauto's, aan een schietkraam, in een lunapark, in een soort wandelattractie en op de shake, een ingewikkeld en gevaarlijk snel toestel, waar Jan zijn lijf en ledematen op riskeerde. Het moest wel, de arme jongen had geen keuze. Dit shot maakte immers deel uit van de dramatische en definitieve wending in onze kortfilm. We aten ook nog oliebollen (Jo tot veler verbazing voor het eerst in zijn leven). Alles bij elkaar kostte dit avondje opnemen ons 700 frank. Er zijn al duurdere films gemaakt.
Onze nacht eindigde waar hij begonnen was: in een café, waar een laatste hap van ons budget opgedronken werd. Moe maar voldaan laafden we onze dorst. Het zijn de details die we ons later waarschijnlijk nog zullen herinneren. Hoe Jo en Jan bier bestelden, Sofie een fruitsapje (geen alcohol bij medicatie, want ondanks alles was onze filmdiva toch nog een héél klein beetje ziek), terwijl ik onze geslaagde opnamesessie beklonk met een warme chocolademelk. Om al die details draait het óók. Het opnemen van een kortfilm doe je immers niet alleen. Je doet het met een groep, met mensen met wie je gedurende een korte tijd intensief samenwerkt. En Sofie en Jan hadden ons zeker niet ontgoocheld. Om eerlijk te zijn hadden we het niet veel beter kunnen treffen. Tegen twee uur liepen Jo en ik weer over de lege en verlaten kermis. De laatste dag. Alles werd afgebroken. Ook voor hen zat het er op, ook hun taak was volbracht, ook zij moesten weer verder, net als wij. Daar, al wandelend door de eenzame nacht, overviel me een zeldzaam gevoel van voldoening en tevredenheid. Later, zou ook deze ervaring niet meer dan een brokstuk van mijn heel leven zijn, wist ik. Een fragment van een droom die ik aan het verwezenlijken was.