Af en toe slaagt een Europees filmmaker er in om met echt originele ideeën voor de dag te komen. Denken we maar aan onze eigen Jaco van Dormael met zijn Le Huitième Jour. Tussen al het geweld van voorhistorische, buitenaardse en andere monsters dat de schermen teistert, komt een film over mensen als een ware verfrissing.
We schrijven Toscane, 1939. Guido is een jonge dromer die hals over kop verliefd wordt op een jonge onderwijzeres bij zijn aankomst in Arezzo, een stad in Toscane. Zijn belangrijkste concurrent voor de hand van Dora is de plaatselijke fascistenleider. Dora kiest uiteindelijk voor de humor van Guido. Enkele jaren later zijn Guido en Dora gelukkig gehuwd. Guido heeft zijn boekenwinkel en is met recht apetrots op zijn zoontje Giosué, een schrander baasje van vijf. Met zijn humor weet Guido zijn gezin af te schermen van de brutale realiteit, tot zij met hun beidjes naar een concentratiekamp gestuurd worden, kort voor het einde van de oorlog. Dora's liefde is zo groot dat ze man en zoon vervoegt naar het concentratiekamp. Binnen deze onvoorstelbaar gruwelijke wereld moet Guido nu al zijn verbeelding en al zijn humor aan het werk zetten om Dora en Giosué te redden.
De film roept onwillekeurig herinneringen op aan de tragi-komedies van Chaplin. Trouwens, Benigni is al bijna net zo'n artistieke duizendpoot als de grootmeester: hij is mede verantwoordelijk voor het scenario, regisseerde zelf de film en neemt ook de rol van Guido op een schitterende manier voor zijn rekening. Het geheel begint als een regelrechte klucht en de ene gag volgt op de andere, hoewel, stilaan merken we hoe het kwaad om de hoek komt loeren: een affiche die de toegang verbiedt aan honden en joden, een paard dat besmeurd wordt... Als het onheil dan plots toeslaat, net op Giosués verjaardag, verandert de toon van de film op slag. Gedaan met de gags, gedaan met het kleurrijke van Toscane. Van nu af aan enkel de grauwe kleuren van het concentratiekamp.
De enige wapens waar Guido over beschikt om zijn zoontje doorheen deze duisternis te slepen zijn zijn humor en zijn speelse fantasie: het kamp is niet echt, het is allemaal een spel en wie wint krijgt een nieuwe tank. Benigni formuleert het zo: 'Ik geloof dat de lach ons redt, hij verplicht ons de dingen van de ander kant te zien, de surrealistische, grappige kant. Onze verbeelding verhindert dat we als twijgjes vertrappeld worden. Zij geeft ons de kracht om te overleven in een eindeloze nacht.' Hij verwijst ook naar Primo Levi, die in zijn getuigenis over de concentratiekampen ergens vermeldt: 'wat als dit allemaal slechts een grap was? Dit kan gewoon niet zijn.'
Een tragi-komedie is als een dans op een slappe koord, zeker als je ze plaats tegen de achtergrond van zo'n delicaat gegeven. Een kleine misstap en je ligt er. Benigni dreigt een paar keer op zijn bek te gaan, maar hij herpakt zich onmiddellijk. Hij heeft er ook bewust voor gekozen om geen historische reconstructie te maken. Hij wilde een fabel construeren over liefde en hoop. Maar om de fabel des te sterker te doen overkomen heeft Benigni getracht het concentratiekamp tot in de kleinste details getrouw na te bootsen, met de hulp van historicus Marcello Pezzetti, een expert over Auschwitz en de Italiaanse joden. Ook voor de techniek heeft Benigni niets aan het toeval overgelaten: de camera vertrouwde hij toe aan Tonino Delli Colli, die eerder al werkte voor Fellini, Pasolini, Wertmuller en met Sergio Leone onder meer verantwoordelijk was voor The Good, the Bad and the Ugly. Velen hebben ongetwijfeld ook van zijn werk genoten in Annauds versie van The Name of the Rose. Voor decors en kostuums tekende Danilo Donati, die eerder meewerkte aan een aantal Academy Award winnaars en de aanstekelijke muziek is van de hand van ene Nicola Piovani, een pseudoniem voor niemand minder dan Ennio Morricone.
La vita è Bella is een film die elke rechtgeaarde filmliefhebber gezien moet hebben.
Genre: Tragi-komedie
Speelduur: 1u44
Regisseur: Roberto Benigni
Acteurs: Roberto Benigni, Nicoletta Braschi, Giorgio Cantarini, Horst Buchholz