Geboren in 1920 bleek hij reeds zeer vroeg over artistiek talent te beschikken, en toen hij op 13-jarige leeftijd King Kong zag, werden de eerste kiemen van een nieuwe legende gezaaid. Een behind the scènes reportage over King Kong in het tijdschrift Look bewoog hem er toe om een 90 cm grote beer te construeren, waarbij de bontmantel van zijn moeder, gedrapeerd over het houten skelet, dienst deed als vacht. En hij deed meer dan dit zondermeer op pelicule vast te leggen: hij maskeerde een deel van de voorgrond af, en door de film in de 16 mm camera terug te winden kon hij zichzelf met zijn hond naast het would-be monster plaatsen.
Aangezet door dit succesvolle 'debuut' realiseerde hij nog verschillende projecten en nam later ook lessen in anatomie en drama om dit in zijn creaties te verwerken. In 1938 deed hij wat enkel de echt gebeten enthousiastelingen zouden durven: hij propte zijn dinosauriërs in een koffer en ging zijn inspirator bezoeken. Willis O'Brien was onder de indruk, en vier jaar later werkten ze samen in de Puppetoons studio van George Pal. Ietwat teleurgesteld van het 'bandwerk' zocht hij andere oorden op, en na enkele omzwervingen keerde hij terug naar zijn garage om er een aantal Kodacolor Mother Goose Stories voor de lagere scholen te realiseren.
Zijn droom kwam uit in 1946 toen O'Brien hem vroeg om aan Mighty Joe Young te werken. Uiteindelijk zou hij zo'n 85% van het animatiewerk voor zijn rekening nemen, maar toen de totale kosten bijna 2.5 miljoen dollar bedroegen besefte hij dat er goedkopere manieren moesten gevonden worden om stop-motion en live-action met elkaar te combineren, of het zou voorgoed gedaan zijn met die edele animatiekunst. Zijn technische bijdrage tot de effectindustrie bestond er dan ook in om voor The Beast From 20,000 Fathoms uit 1952 een eigen split-screen systeem te ontwikkelen.
Het principe bestond erin om tijdens de animatieopnames een deel van het beeld met behulp van zwart geschilderde stukken glas af te schermen, zodat hij na de tijdverslindende animatie de film kon terugwikkelen om die delen op te vullen via een tweede belichtingspas. Zo kon hij zijn creaturen niet alleen voor en naast, maar ook achter bewegingloze objecten laten bewegen. En dit alles dus in-camera. De film was een succes en Harryhausen had dus zijn eigen toekomst veilig gesteld. En zijn beste werk zou nog komen, want in 1955 ontmoette hij de producer Charles Schneer met wie hij zou blijven samenwerken.
De eerste samenwerking werd bezegeld met It Came From Beneath The Sea (1955) waarin hij een gigantische octopus animeerde, waarna hij in 1958 met The Seventh Voyage of Sinbad één van zijn beste werkstukken uit zijn Hollywoodperiode afleverde. Zijn naam was definitief gemaakt, en zijn speciale animatietechniek zou voortaan Dyn amation heten. In 1959 trok hij naar London (goedkoper, en dichter bij exotische locaties) om er een tweetal films te maken (The Three Worlds of Gulliver -1960- en Mysterious Island -1961-) om daarna zijn meest indrukwekkend werk af te leveren: Jason and the Argonauts (1963). En als we uit de vele mooie sequenties er toch één tot beste moeten uitroepen, dan is dit ongetwijfeld het ongeëvenaarde gevecht met zeven skeletten (het leger skeletten uit Army Of Darkness zullen we maar als een hommage classeren). Met One Million Years B.C. (1966) en Valley of Gwangi (1969) bleef hij zijn kunde in het etaleren van voorhistorische monsters bevestigen, maar Hollywood raakte er stilaan op uitgekeken.
In de jaren zeventig kwamen Harryhausen en Schneer terug met exotische avonturen: The Golden Voyage of Sinbad (1973) en Sinbad and the Eye of the Tiger (1977) die jammer genoeg ook gekenmerkt werden door eerder matige acteerprestaties en een zwakke regie. De laatste samenwerking, en tevens het afscheid van Harryhausen (van het witte scherm althans), kwam er met Clash of the Titans (1981) waarin hij met zijn Medusa en andere mythische wezens bewees dat hij nog steeds aan de top stond.
Harryhausen was (en is) meer dan een gewone FX-technicus die braafjes de instructies van de regisseur opvolgde. Hij deed meer. Hij creëerde zijn eigen monsters en gaf ze een hart en vooral een ziel, zodat we niet zondermeer naar een hoopje (mythische) poppen zaten aan te staren, maar naar echte 'acteurs' die soms (hoe raar het ook mag klinken) beter acteerden dan hun levende tegenspelers. In 1992 kreeg hij dan ook terecht de Gordon E. Sawyer Award. Enkel jammer dat hij zijn werk nooit bekroond zag met een oscar.