Heel makkelijk had Marais het trouwens niet. Zijn verschijning was indrukwekkend: de gestalte van een Griekse god, maar een stem die verre van aangenaam klonk: te hoog, te nasaal. De grote kans kwam er voor Marais in 1937, toen hij voorgesteld werd aan Jean Cocteau. Cocteau was diep onder de indruk van de jongeman, en hij bouwde voor hem een indrukwekkende carrière uit. Op de planken (ondermeer aan de Comédie-Française) zowel als op het witte doek, in een klassiek, zowel als een modern repertoire. Alle mooie rollen zijn voor Marais, zelfs de ster-acteur van het moment (Jean-Pierre Aumont) moet wijken voor het jonge geweld.
De samenwerking tussen Marais en Cocteau bleef duren tot in 1963, bij de dood van deze laatste. In de 23 jaar daartussen tekenden ze samen voor heel wat succesrijke producties, niettegenstaande de oorlog: la Belle et la Bête (1945), L'Aigle à deux tètes (1947), Les Parents Terribles (1948) en Orphée (1949). Ook na de dood van Cocteau blijft Marais alles in het werk stellen om het oeuvre van zijn mentor in de aandacht te houden, onder meer door zelf stukken te gaan regisseren voor het theater.
Ondertussen werkte Marais uiteraard ook met andere regisseurs, vaak in mantel- en degenfilms als Le Comte de Monte- Christo (1953), Le Bossu (1959) of Le Capitaine Fracasse (1961); films waarin Marais koppig weigerde om gebruik te maken van een stand-in voor de gevaarlijke scènes. Midden jaren 60 treedt Marais een paar keer op als Fantômas aan de zijde van Louis de Funès; opvallende verschijningen die een sterke indruk nalaten. Zowat alle grote Franse personages heeft Marais uitgebeeld: Cyrano, Tartuffe en zelfs Jean Valjean (in een regie van Claude Lelouch). Marais is steeds actief gebleven, hoewel hij in 1970, na Peau d'Ane, de zevende kunst voor een hele tijd vaarwel zegt en zich in de Provence terugtrekt om zich te wijden aan het schrijven van zijn mémoires, het schilderen en pottenbakken. Het theater echter is hij altijd trouw gebleven. In januari stond hij nog op de planken in een Arlésienne-productie voor de Folies Bergères en er waren plannen voor een nieuwe enscenering van Shakespeare's The Tempest, waarin Marais Prospero, de tovenaar zou spelen. Een ziekte maakte echter dat deze plannen niet gerealiseerd konden worden.
Marais rust op het kerkhof van Vallauris, een dorpje aan de Côte d'Azur, waar hij de laatste achttien jaar van zijn leven doorbracht, onder een bronzen beeld dat herinnert aan zijn glansrol in La Belle et la Bête. Een recente uitspraak typeert de charmante Jean Marais ten volle: "Het leven is niet eerlijk, ik heb altijd het beste gekregen."