Dat is één van de mooie eigenschappen van het medium film, die prachtige uitvinding waarvoor u en ik überhaupt uit ons bed komen: slecht vergeet je gemakkelijk, goed wordt een deel van je tot de dag dat je sterft. De tientallen ondermaatse verhaaltjes en andere pure mislukkingen nemen we er met een brede glimlach op het gezicht bij. Want jongens, die rillingen die ons over de rug liepen bij het zien van Trumans ontsnapping uit zijn nep-bestaan, verdorie, ze waren wel vijftig rotfilms waard, niet?
Ook dit jaar weer blikken we met nostalgie terug op een filmjaar vol verrassingen, vertederingen en verwonderingen. Trouwe lezers weten dat ondergetende verkikkerd is op sciencefiction (of, another spaceship movie, zoals zijn wederhelft er smalend naar verwijst), en niet toevallig is dat dan ook het genre waarmee we ons jaarlijks overzicht van start gaan. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: wat ruimtescheepjes en laserstralen betreft was het een historisch zwak jaar (vooral na het jaar waarin we The Fifth Element en Contact achter de kiezen kregen).
Niet dat er geen pogingen waren. Integendeel: vele van de zomerfilms waren waren SF-getint. The Postman was een oefening in groteske zelfverheerlijking, Godzilla een voorbeeld van hoe stelen en recycleren niet moet. De televisie-verfilmingen deden het van middelmatig (The X-Files) tot duizelingwekkend slecht (The Avengers). New Lines poging om een Star Trek-rivaal uit de grond te stampen mislukte - met dank aan scenarist Akiva Goldsman - en Sphere kon rekenen op interessant bronmateriaal van Michael Crichton, maar had dan weer de verkeerde regisseur aan boord. Nog meer middelmatig materiaal: het stompzinnige Starship Troopers van Paul Verhoeven, de warrige horror-in-space Event Horizon en exploitation flop Species 2.
Wat blijft er over? Bijzonder weinig. Armageddon was spectaculair maar dom, terwijl tweelingzus Deep Impact slimmer maar saaier was. Gattaca stak er met zijn intelligent script (van Truman-schrijver Andrew Niccol) met kop en schouders bovenuit, maar er ging geen hond naar kijken. Het zelfde geldt voor het allerbeste stukje SF van het jaar, dat in thuisbasis Amerika zodanig flopte dan hij in België zelfs nooit werd uitgebracht. We hebben over Dark City, een duister meesterwerk van Alex Proyas, dat u in de videotheek zal moeten gaan zoeken. Een regelrechte schande.
Des te beter ging het eraan toe in het horrorgenre, dat een jaar lang met volle teugen profiteerde van een hernieuwde interesse met dank aan Scream. Scream-schrijver Kevin Williamson krijgt de prijs voor meest succesvolle ontdekking van het jaar. Hij bracht ons zo maar even Scream 2, I Know What You Did Last Summer en Halloween H20. Stuk voor stuk degelijk gemaakte slasher films voor een hongerig tienerpubliek. Nog meer al dan niet geslaagde horror: An American Werewolf in Paris, Nightwatch, Phantoms, Wishmaster, effectenspekaktel Deep Rising en superhelden Spawn en Blade. Het vermelden waard zijn sfeervolle randgevallen Fallen en Kiss The Girls.
Het meest levendige genre was, zoals steeds, de actie/thriller en ook hier was het in hoofdzaak middelmatigheid troef. Eénmaal snurken met de overbodige sequel U.S. Marshalls, twee maal geeuwen om Bruce Willis in The Jackal en Mercury Rising en veel, veel te vaak zuchten om simpelweg flauwe films. Voorbeelden? Wat te denken van Desparate Measures, Hush, Excess Baggage, The Man in the Iron Mask, Black Dog, The Negotiator, Playing God, Switchback, The Edge, Red Corner, ja zelfs Ronin. Beter waren onder andere A Perfect Murder, Sex Crimes, Liar, The Replacement Killers, Lethal Weapon 4, Hard Rain, The Mask of Zorro en Tomorrow Never Dies.
Het interessants waren de nieuwste inzendingen van een resem gevestigde regisseurs: Altmans Gingerbread Man en Coppola's Rainmaker namen een Grisham-roman als basis terwijl Tarantino en Soderbergh kozen voor de schrijfsels van Elmore Leonard, met respectievelijk Jackie Brown en Out of Sight. Tenslotte lieten ook Brian De Palma (Snake Eyes) en Oliver Stone (U-Turn) weer van zich horen. We dienen ook onze eigen Van Damme te vermelden die nog wat dieper wegzakte met zijn zoveelste verdiende flop Knock Off.
In het komische genre werd in de eerste plaats gemikt op de jongsten onder ons. Wat te denken van Home Alone 3, Dr. Dolittle, Mouse Hunt, Flubber, Paulie en Madeline. Iets volwassener ging het er aan toe met There's Something About Mary en The Big Lebowski, beide geslaagde prenten van twee broederlijke duo's: de Farrelly's en de Coens. De president kwam onder vuur in de twee geslepen satires Wag The Dog en, minder geestig, Primary Colors. Gemakshalve plaatsen we de animatiefilms van dit jaar ook maar even onder komedie: Disney bracht ons het hilarische Mulan, maar Dreamworks oversteeg alle lachsalvo's met het aangrijpende The Prince of Egypt. Pech voor Fox en Warner, die met respectievelijk Anastasia en The Magic Sword niks in de pap te brokken hadden. En dan was er natuurlijk, in afwachting van A Bug's Life, ook nog Antz.
Het filmgenre met de meeste ups en downs was zonder enige twijfel dat van de romantiek. Traditiegetrouw is dit een veelzijdig genre. Films zijn van nature al moeilijk onder te brengen in vakjes (kan er ons iemand eens vertellen waar Fear and Loathing in Las Vegas thuishoort?), maar wat betreft de romantiek is dat een opvallend sterke trend. Homoseksuele romantiek in In and Out, Chasing Amy, The Object of My Affection en, ahum, Six Days Seven Nights. Dood en romantiek bleek een sterke combinatie met What Dreams May Come, City of Angels en Meet Joe Black (rotte appels als Practical Magic zijn onvermijdelijk). Klassieke romantiek (Ever After, Firelight) dan weer niet. Wat overblijft was doorgaans sterk (meezingen met Grease, nostalgie met The Wedding Singer, genieten van Great Expectations en As Good As It Gets). Onze toppers: het fantastisch mooie The Horse Whisperer en de ongekroonde King of the World, Titanic. Films om te koesteren voor de rest van je leven. Titanic zal objectief gezien wel de geschiedenis ingaan als dé film van het jaar, met elf oscarbeeldjes en een wereldwijde opbrengst van 64 miljard frank. Titanic lanceerde ook voorgoed de carrière van ene Leonardo DiCaprio, na de boot één van de vijf best betaalde acteurs van Hollywood.
Het genre waarin doorgaans de meeste oscars worden gewonnen worden is dat van het drama, het genre ook waarin het merendeel van de meesterwerken terug te vinden zijn. Met liefst twee Spielbergs (een zwakkere, Amistad, en een superieure, Saving Private Ryan) een Scorsese (Kundun) en een Van Sant (Good Will Hunting) achter de kiezen zou elke filmliefhebber genoeg moeten hebben, maar we mochten daarbij nog genieten van onder andere The Mighty, Lolita, The Ice Storm en Boogie Nights. Slechts hoogtepunten uit een lange lijst titels. Onze favoriet van het jaar, Titanic even buiten beschouwing gelaten, blijft Jim Carrey's tour-de-force in The Truman Show, dat de loopbaan van een groot acteur inluidt.
We sluiten het jaaroverzicht in eigen land af. Geen Oesjes of Maxen dit jaar, maar met Le Bal Masqué, Rosie en S. werden we vergast op stuk voor stuk pareltjes. De film van Julien Vrebos kreeg in Gent de Plateau Prijs en het kindje van Patrice Toye ging lopen met een Zilveren Spoor. Terwijl geen kat naar Le Bal Masqué en S. gingen kijken, boert Rosie gelukkig een stukje beter. Stijn Coninkx zorgde voor de ongelukkige stunt om zijn niet onaardig Licht op dezelfde dag als Titanic te laten schijnen, maar bracht het er toch nog beter vanaf als de rommelfilm Dief. Winnaar van het jaar was Alain Berliner, die in januari al een Golden Globe voor Ma Vie en Rose mocht gaan oppikken. Een nominatie voor de oscars ging echter aan zijn neus voorbij.