COMMENTAAR

De droomfabriek

Foto: Buena Vista International
In deze rubriek geeft één van onze medewerkers commentaar over een actueel onderwerp uit de filmwereld.

Gooi ze eruit, al die computers. Zet ze bij het groot huisvuil, vernietig ze, verbrand ze. De verleiding is groot, na het zien van wanhopig slechte spektakelfilms als Godzilla, The Avengers of Batman and Robin. Geen reclame voor computers en de daaraan verbonden speciale effecten. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat de roep naar de cinéma pure groot is. Filmmakers als de Deen Lars von Trier en zijn Waffenbruder Thomas Vinterberg willen met hun Dogma 95 de strijd tegen het pretpark Hollywood aanbinden. Terug naar de basis, zo luidt hun credo. Camera vanop de schouder, hyperrealistische montage, geen optische effecten. De kijker moet de essentie te zien krijgen zoals het echt gebeurd is. Nouvelle vague in zijn meest pure vorm. En gelijk hebben ze. Maar al te vaak hollen de techneuten hun ziel voorbij. Speciale effectenfilms laten de kassa's rammelen en het lijkt wel of de tovenaars van het witte doek zonder problemen het ene misbaksel na het andere uit hun computergegenereerde hoed toveren.

Weg dus met al die toeters en bellen? Leve Vinterberg en Von Trier? Toch niet. Zoals in vele verhitte discussies ligt de waarheid in het midden. Wat sommige mensen niet goed beseffen is dit: zonder computers geen Titanic, geen Truman Show, geen Saving Private Ryan ook. Want laten we wel wezen: de effecten-goochelaars mogen niet met alle zonden van Israël overladen worden. De werkelijke schuld verschuilt zich meestal aan de basis: oerzwakke scenario's, oninventieve regisseurs en geldverslindende producenten bepalen nog altijd het uitzicht van een film. Wanneer dáár het hart op de juiste plaats zit, dan betekenen alle digitale foefjes alleen maar winst. Zoals vroeger ook geluid, kleur en cinemascoop, kan ook de computer zijn plaats in het filmland zonder problemen innemen.

Wie meent dat digitale Spielerei bij voorbaat slechte films oplevert, moet dringend naar A Bug's Life, Pixars opvolger van Toy Story. Die film, over de avonturen van een speelgoedkamer, plantte een mijlpaal in de geschiedenis van de animatieprent, zo eentje in de zelfde orde van grootte als Steamboot Willie in 1928 (eerste tekenfilm met geluidsband) en Sneeuwwitje in 1937 (eerste kleurenlangspeelfilm). Toy Story lag in het verlengde van andere experimenten: in de jaren veertig had men al geprobeerd om animatie en klassieke film in elkaar te laten overvloeien en in de jaren tachtig waren The Nightmare Before Christmas en Beauty and the Beast wegbereiders. Maar Toy Story was het échte breekpunt: driehonderd computers maalden gedurende ruim 800.000 uren tekenfilmbeelden door hun digitale kiezen. Het resultaat was nooitgeziene en onversneden magie.

Sindsdien flirt elke tekenfilm wel met elektronische bakbeesten: recent nog Anastasia, The Magic Sword en Mulan. Antz en The Prince of Egypt rolden ook kant-en-klaar uit de computer. Levert de nieuwe techniek ook onverdeeld betere films op? Niet noodzakelijk. De CGI-draak op het einde van The Magic Sword was een schoolvoorbeeld van hoe het bij voorkeur niet moet. Maar iedereen viel van zijn stoeltje door de technische perfectie van Antz en The Prince of Egypt. En op het moment dat iedereen dacht dat het écht niet meer beter kon, pakt de droomfabriek Pixar nu uit met hun Toy Story follow up: A Bug's Life, nu al goed voor een pak prijzen en nominaties (BFCA, CFCA, LAFCA Awards, Golden Globes, Golden Satellite Awards, Golden Reel Awards) en 150 miljoen klinkende dollars aan de Amerikaanse box-office.

Maar daar draait het niet écht om. Niet om die prijzen, niet om dat geld, zelfs niet om die schitterende animatie. Waar het om draait is die magie, dat hart, dat gevoel. En wat is er mis mee als dat allemaal uit computers rolt? Laat staan, die computers. Vertroetel ze, die animatoren. Ze brengen de magie tot bij ons. To infinity and beyond.