PORTRET: ROBERT ALTMAN

In stukken en beetjes

Filmmakers zijn artiesten, en artiesten zijn, zo is toch algemeen geweten, geen gemakkelijke mensen. Koppig, zeg maar. Ook als het over op rust gaan betreft. En gelukkig maar ook, want filmmakers als Akira Kurosawa en Stanley Kubrick zijn het bijna aan de wereld verplicht geweest om tot hun laatste levensadem hun ooit tot de rand gevulde ketel met immens talent tot de bodem uit te schrapen. En zo ook zal ongetwijfeld Robert Altman pas bij het schrapen van de laatste restjes ooit zijn megafoon in de ring gooien. Maar koppig als hij is wil hij voorlopig de bodem nog niet zien.

Robert Altman weet duidelijk van geen ophouden. Met zijn 74 jaar, zijn meer dan 30 films op zijn actief en zijn drie comebacks behoort hij al een tijdje tot de éminence grise van Hollywood, het filmmekka waarmee hij een haat-liefdeverhouding heeft. Hollywood houdt immers vooral (of eigenlijk, alleen) van filmmakers die veel geld in het laadje brengen, ook al moeten ze zich daarbij prostitueren. Iets wat Altman, de artiest, de koppigaard (gelukkig) niet kan en wil laten gebeuren.

Voor Robert Altman, die in 1925 in Kansas City werd geboren, begon zijn lange queeste naar de roem in 1948, nadat hij piloot was geweest in de tweede wereldoorlog en ook een ingenieursopleiding was begonnen. Samen met George W. George schreef hij het verhaal voor The Bodyguard, maar nadat zijn scriptschrijverscarrière niet echt van de grond kwam, keerde hij terug naar zijn geboortestad om er jarenlang de kunst van het filmmaken te leren in een bedrijf dat industriële films maakte. Nadat hij zelf het minuscule budget had samengeschraapt, schreef, produceerde en regisseerde hij in 1955 The Delinquents. Twee jaar later volgde The James Dean Story, waarna hij zich meer dan een decennium lang terugtrok in de tv-wereld. Hij regisseerde er onder meer aflevringen voor Bonanza en Alfred Hitchcock Presents.

Pas in 1967 keerde hij met Countdown terug naar de langspeelfilm. Drie jaar later veroverde hij de wereld (en meteen ook de Gouden Palm in Cannes) met de uiterst succesvolle zwarte oorlogskomedie M*A*S*H. Hij lanceerde hiermee ook de carrières van Donald Sutherland en Elliott Gould. Met de langlopende op de film gebaseerde tv-serie heeft Altman zelf wel niets mee te maken. Altman werd overstelpt met big-budget aanbiedingen uit Hollywood, maar hij trapte op heel wat tenen toen hij in plaats daarvan het goedkope Brewster McCloud (1970) draaide voor zijn pas opgerichte eigen productiefirma Lion's Gate Films. De breuk met Hollywood zou in de loop der jaren enkel maar groter worden, zodat hij ook meer en meer contact zocht met het publiek (en ook geldschieters) in Europa. Financieel minder succesvolle films volgden zoals The Long Goodbye, Thieves Like Us en California Split.

In 1975 keerde Altman voor de tweede keer triomferend terug naar Hollywood met de beeldenmozaïk Nashville. Zowel de film zelf als Altman werden genomineerd voor de oscars. Met de meer dan twintig bijna even belangrijke personages weefde hij een verhalenweb, een verhaal in stukken en beetjes. Het is een techniek die hij ook later nog met groot succes zou toepassen. Al snel verspeelde hij echter (nog maar eens) zijn credit met het erbarmelijke, 6 miljoen dollar kostende Buffalo Bill and the Indians, or Sitting Bull's History Lesson (1976). Al snel keerde hij terug naar de lowbudget-films met ondermeer Three Woman (1976) en A Wedding (1978). Ook zijn Popeye-verfilming in 1980 met Robin Williams kon niemand, critici noch publiek, bekoren. Robert Altman wijdde zich daarna aan enkel theaterproducties, de mini-serie Tanner '88 (1988) en Vincent and Theo (1990).

Zijn derde comback was ironisch genoeg een schitterende satire op Hollywood zelf: The Player (1992), waarvoor hij maar liefst 66 bekende sterren wist te strikken voor een kleine cameo-rol. Meteen bleek Altman ook weer goed voor een aantal oscar-nominaties, toch nog steeds de ultieme erkenning van het Hollywood-establishment. O ironie. Zich baserend op een aantal korte verhalen van Raymond Carver draaide hij een jaar later het kritisch gelauwerde Short Cuts, waarin hij opnieuw diverse verhaallijnen en een schat aan personages schitterend in elkaar laat overlopen.

Het leek alsof Altman voorgoed de critici en het publiek in zijn zak had. Prêt-à-porter kon niettegenstaande een uitgebreide cast echter niemand overtuigen, en ook zijn jazz-geïnspireerde film Kansas City werd niet echt een denderend succes. Met het matige The Gingerbread Man liep het weer fout met de studio's. PolyGram nam hem de film uit handen en wilde een nieuwe versie monteren. Altman sloeg echter z'n slag thuis en kreeg zijn versie in de zalen, maar volgens Altman zelf heeft de studio uit rancune de film laten sterven aan de box-office. Ook zijn nieuwste prent, Cookie's Fortune, zat in ditributie-problemen omdat de productiemaatschappij die de film had gefinancieerd intussen reeds verkocht werd.

Maar filmen zit bij Altman in het bloed, en vermits hij zelf een verwoed gokker is lijkt de regisseursrol perfect op zijn lijf geschreven. Want is niet elk filmproject één grote gok?