James Clavell (zijn geboortenaam is Charles Edmund DuMaresq de Clavelle) heeft een bewogen leven achter de rug. Roem en geluk lachten hem toe, maar ook verdriet en een harde jeugd zijn hem niet vreemd. Zijn leven heeft veel weg van een avonturenverhaal. Clavell werd geboren op 10 oktober 1924 in Sydney, New South Wales (Australi ), maar groeide op in de havensfeer van Engeland. Hij liep school te Portmouth, waar hij naar eigen zeggen vrijwel niets bijleerde en bezocht de Birmingham University en de University of Maryland.
Zijn vader was officier in de Royal Navy in het verre Oosten. Het was hij die aan zijn zoon exotische verhalen vertelde van mannen die de Yangtze opvoeren en van bruggen doken om Chinese prinsessen van de verdrinkingsdood te redden. Ook voor Clavell leek een militaire carri`re weggelegd, maar het lot besliste daar anders over. Hij was vijftien toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Hij trok als vrijwilliger naar het verre oosten, maar zijn schip werd door Japanse bommenjagers voor de Javaanse kust in de grond geboord. Clavell viel in een hinderlaag en kreeg een kogel in het aangezicht: het litteken (een ronde vlek op zijn rechterkaak) zou hij zijn leven letterlijk en figuurlijk tekenen.
Op zijn achttiende werd Clavell op Java door de Japanners krijgsgevangen genomen. De bevelhebbende Japanse officier stelde hem voor zelfmoord te plegen, maar dat weigerde hij. Gedurende drie jaar werd Clavell opgesloten in de Changi-gevangenis in Singapore. Van de 150000 gevangenen zouden er uiteindelijk 10000 levend uitkomen. Het was een harde leerschool. 'Als je dat hebt meegemaakt, kan je niets meer gebeuren,' zei Clavell altijd. De Changi-ervaring duikt dan ook regelmatig in zijn werk op, denken we maar aan zijn eerste autobiografisch boek, King Rat (Koning Rat) en aan Whirlwind (Wervelwind), een boek waarvan in de VS alleen al vier miljoen pockets werden verkocht.
Maar Clavell bleef niet bij de pakken zitten. Hij keerde terug naar Londen, waar hij na een moterval en een kapotte knie oneervol uit het leger werd ontslagen. Voor Clavell het moment om de overstap over de Grote Plas te wagen. Hij verhuisde naar New-York, waar hij scenario's voor T.V.-spotjes schreef en belandde vervolgens in Hollywood. In 1958 schreef hij het script voor The Fly. Een jaar later maakte hij zijn regie-debuut met Five Gates to Hell. Clavell brak echt door in 1960. Hij maakte The Great Escape, een film die onder meer Steve McQueen bekend maakte.
Tijdens een staking van scenario
schrijvers, raakte Clavell werkloos. Om
de tijd te doden en geld in het bakje
te brengen, begon hij romans te
schrijven. Zijn Japanse ervaringen
werkte hij in
n ruk uit in King Rat,
een boek dat in 1962 werd gepubliceerd
en een eerste commercieel succes was.
Colombia kocht de filmrechten voor
150000 dollar en drie jaar later kwam
de film uit.
Clavell vertrok met zijn familie naar Hong Kong, waar hij een jaar lang ispiratie opdeed voor zijn volgende verhaal, het in 1966 verschenen boek Tai-Pan (Grote Leider). Dino de Laurentiis maakte er in 1986 een film van.
James Clavell oogstte het meeste succes met Shogun. Hij schreef niet alleen het boek, maar verfilmde ook de TV-serie, met ondermeer Richard Chamberlain in de hoofdrol. Shogun is het woord voor een feodale Japanse generaal. Deze naam was hij voor het eerst tegengekomen in de schoolboeken van zijn dochter. Daar stond het verhaal in van een Engelsman, Will Adams, die in 1600 naar Japan trok en er Samoerai werd. Daarnaast schreef Clavell ook Nobel House, een vervolg op Tai-Pan, Whirlwind (een oorlogsroman) en Gai-Jin, een boek dat dit jaar werd uitgegeven bij Hoddler en Stoughton.
James Clavell vertoefde op het einde
van zijn leven beurtelings in Frankrijk
en Zwitserland. Op woensdag 7 september
overleed hij in Zwitserland aan een
beroerte op 69-jarige leeftijd. Clavell
verdiende massa's geld door zijn boeken
te herwerken tot mini-series voor
televisie. Voor Whirlwind alleen al
kreeg hij vijf miljoen dollar. De
filmrechten voor Shogun waren goed voor
n miljoen dollar. Na de de verfilming
steeg de verkoop van het boek met 3,5
miljoen exemplaren.
Ook op het terrein van de filmproduktie
was Clavell geen groentje. In 1967 was
hij schrijver, regisseur en producer
van To Sir with Love, met Sidney
Poitier als zwarte leraar in een
Engelse school in de hoofdrol. De film
kostte nauwelijks 625000 dollar, maar
bracht 25 miljoen dollar op. Het is
n
van de meest succesrijkste films uit de
geschiedenis van Hollywood. Clavell
schreef daarnaast ook enkele scenario's
van griezelfilms: The Fly (1958),
Watusi (1959), 633 Squadron (1964) en
The Satan Bug (1965). Tussendoor maakte
hij ook nog Walk Like a Dragon (1960),
Where's Jack? (1969) en The Last Valley
(1970). Naast eerdergenoemde films
schreef hij ook het scenario van The
Great Escape uit 1963.
Toen men Clavell eens vroeg hoe het kwam dat hij zoveel succes had, zei hij dat er twee soorten heldendichten zijn. In de ene soort gaat het om de strijd tussen goed en kwaad. Uiteindelijk wint de goede. In de andere soort is de held net zo'n grote schurk als de anderen. Hij wint niet omdat hij het goede vertegenwoordigt, maar omdat hij net iets slimmer en sterker is en meer geluk heeft. Dit laatste heldendicht zit vervat in het werk van James Clavell. Het zijn geen lieve jongens, maar de adrenaline stroomt voortdurend door hun anders. Kortom, jongens aan wie je plezier kunt beleven.
De werkmethode van Clavell kun je origineel noemen. Enerzijds is research heel belangrijk voor hem; anderzijds werkt hij zonder plan. Het is, zegt hij, alsof de boeken zichzelf schrijven. Net zoals bijvoobeeld Stephen King passen Clavells boeken als puzzelstukken in elkaar. Noble House bijvoobeeld gaat over de nazaten van de mensen die in Tai-Pan beschreven worden. Marlowe uit King Rat, die trouwens overeenkomsten vertoond met Clavells eigen leven, duikt ook op in Noble House. James Clavell kende in zijn leven veel ongeluk. Ondanks zijn rijkdom is hij met beide voeten op de grond gebleven. De term bestseller kortte hij altijd af tot B.S., wat volgens hem niet meer of minder dan 'Bull Shit' betekent.