Sylvester Stallone was er vroeg bij dit jaar. Terwijl in de lage landen een onverwachte sneeuwstorm heerste, werd in de filmzalen met Demolition Man de jacht op een ontdooide ijskegel geopend. Dat Sly tegenwoordig weer op het goede pad zit, bewees hij ook met het verrassend knappe The Specialist met Sharon Stone (verder kleurloos in Intersection) als tegenspeelster. Bruce Willis verviel bij zoveel Stallone geweld met zijn matige Striking Distance in het niets. Steven Seagal regisseerde en produceerde zichzelf in On Deadly Ground en dat betekende net iets teveel hooi op zijn filmvork.
De duurste van allemaal was True Lies, het nieuwste James Cameron-vehikel: ongeveer drie miljard frank. En dat hebben we geweten ook: de sc`nes op de brug en de spetterende Harrier-finale horen bij de beste actie die ooit op film werd vastgelegd. Maar True Lies miste continu$teit en wist daarom slecht bij momenten echt te boeien. De verrassing van het jaar was Speed, van de Nederlander Jan de Bont. De voormalige cameraman had voor zijn rijdende bombus in vergelijking met True Lies een habbekrats aan financi le middelen nodig, maar kwam uiteindelijk wel met een betere film. Nog meer Nederlands geweld kregen we in De Flat, een Sliver-afkooksel van Ben Verbong. En wat stelden de Belgen daartegenover? Met Close, een pyschologisch drama van Paul Collet, werd (niet helemaal terecht) meer gelachen dan de bedoeling was. Dominique Deruddere ging in zijn Suite 16 geen enkele controverse uit de weg en kwam met een rauwe, maar knappe en intrigerende film. Geen actie, maar toch Belgisch en het vermelden waard: la Vie Sexuelle des Belges van Jan Bucquoy. Maar het was Just Friends die op de Nacht van de film in Oostende de prijs voor de beste Belgische film, regisseur en acteur (Josse de Pauw) wegkaapte. Spannend waren ook pretentieloze tussendoortjes als The Getaway, Blink (met Madeleine Stowe), Blown Away, Escape from Absolom, Rapa Nui en The Good Son. Onze eigen Jean-Claude Van Damme kwam dit jaar op de proppen met Timecop en deed daarin precies wat we van hem verwacht hadden.
En dan had je nog het Quentin Tarantino fenomeen. In 1993 introduceerde hij met Reservoir Dogs een nieuw soort geweld. Aandoenlijker, subtieler en mooier, zeiden de critici. Dit jaar drukte Tarantino zijn stempel op het filmjaar. Het begon met True Romance, een kippevel-film van Tony Scott. Oliver Stone verfilmde zijn Natural Born Killers. 53 opnamedagen, een jaar montage: een film op z'n MTV's, een prent ook die de vraag over de zin en onzin van geweld in de film weer hoog deed oplaaien. Nog was Tarantino niet aan het einde van zijn latijn: voor Killing Zoe nam hij de produktie voor zijn rekening en liet hij de regie over aan Roger Avary. Maar de nieuwe meester zette zelf de kroon op het werk met Pulp Fiction, een heerlijke satire op zijn eigen werk. Quentin Tarantino kreeg voor Pulp Fiction een Gouden Palm en dat viel niet bij iedereen in goede aarde.
Buiten de opkomst van dit nieuw enfant terrible bleef alles bij het oude. 1994 was het jaar waarin de helden dezelfde bleven, maar het speelgoed weer een beetje duurder werd.