In 1880 reeds was de mogelijkheid bekend om lichtimpulsen in geluid om te zetten en in 1912 experimenteerden Eugène Lauste met het opnemen van geluid op film. In 1906 vond de Amerikaan Lee De Forest de audioversterker uit. Hierdoor was het mogelijk om het geluid zodanig te versterken dat het hoorbaar werd voor een groot publiek. Hoewel de mogelijkheden voor de geluidsfilm al een hele poos bestonden, was de filmindustrie er niet zo happig naar. Vooral omdat alle dure studio's dan op slag verouderd zouden zijn.
De kleine Amerikaanse maatschappij Warner Bros introduceerde het geluid in een uiterste poging om zich staande te houden. Samen met de Western Electric Company en de Bell Telephone Company ontwikkelde ze een systeem om het geluid op platen vast te leggen die synchroon met de film liepen. De eerste film die zo muzikaal begeleid werd, was Don Juan (1926). Een jaar later verscheen The Jazzsinger. Deze film, waarin voor het eerst door de acteurs zelf gepraat en gezongen werd, was een enorm succes. De filmindustrie werd gedwongen langzaam over te gaan op geluid.
Er werd een ander procédé ontwikkeld. Het bestond uit het optisch vastleggen van het geluid op celluloid. De problemen van de overgang waren niet gering. Men vreesde dat de overzeese markt in elkaar zou storten omdat films waarin iedereen Engels sprak niet zouden aanslaan bij het Europees publiek. Daarnaast waren nieuwe geluidsstudio's en nieuwe acteurs nodig die dialogen konden spreken. Voor veel sterren betekende de overgang naar geluid het einde van hun carrière wegens slechte dictie. Het slapstick- genre kon niet overgeplant worden op de geluidsfilm omdat de acteurs te zeer door hun bewegingen belemmerd waren. De loopbaan van Buster Keaton eindigde met de komst van het geluid. Charles Chaplin maakte pas in 1940 zijn eerste geluidsfilm The Great Dictator. Greta Garbo doorstond de proef, hoewel men voor haar Zweeds accent had gevreesd. In 1929 had reeds driekwart van de in Hollywood gemaakte films gedeelten met geluid.
De industriële macht kwam bij een klein aantal maatschappijen te liggen, die de produktie, distributie en vertoning in handen hadden: vijf grote zoals Metro- Goldwyn-Mayer en drie kleine maatschappijen. Deze acht kwamen onder de controle van twee grote financiële machtsblokken in de VS: Morgan en Rockefeller. Hollywood had vrijwel een monopolie op de geluidspatenten. De eerste kleurenfilms gemaakt volgens het driekleurenprocédé van Technicolor, waren Walt Disney's Flowers and Trees en La cucaracha. Becky Sharp (1935) en Gone with the Wind (1939) waren speelfilms in kleur. In tegenstelling tot de geluidsfilms vond de kleurenfilm geen snelle ingang.