Hollywood verloor de markt in Europa na het uitbreken van de oorlog. Dit werd gedeeltelijk opgevangen door een stijgend bioscoopbezoek in de VS zelf. Toen Amerika zelf in de oorlog werd betrokken (1941), werden er anti-Duitse films gemaakt. Daarvoor was er een strikte neutraliteit. Chaplins The Great Dictator vormde daarop een uitzondering. De film kwam dan ook niet zonder moeilijkheden tot stand. Van 1942 tot 1945 werd onder het oog van regisseur Frank Capra de Why we Fight serie geproduceerd, die als doel propaganda en instructie van het Amerikaanse publiek had. Ook in de Sovjetunie vormde de oorlog aanleiding tot documentaire propaganda films zoals Strijd om de Oekraïne.
De nationalisering van de Duitse filmindustrie gebeurde pas in 1942 door Goebbels. Zijn politiek hield een verbod of beperking in van de filmproduktie in de bezette landen. De Duitse filmmarkt breidde zich enorm uit. In 1933 trokken Duitse films nog 250 miljoen bezoekers per jaar en in 1942 was dat aantal tot één miljard gestegen. Enkel in Frankrijk brachten de Duitse films weinig op ten gevolge van een boycot van het publiek. De Franse filmproduktie werd ook minder beperkt dan in andere bezette landen. De films werden wel onderworpen aan de Duitse censuur. Hierdoor werden vooral romantische en poëtische films gemaakt. Het realisme kon slechts na de oorlog worden verdergezet.
In Italië zag men in Ossessione (1942, Luchino Visconti) de eerste tekenen van een neorealisme. De moeilijke omstandigheden waaronder men moest filmen bleken een artistiek voordeel op te leveren. Men filmde niet in studio's maar op straat en zonder beroepsacteurs. In de VS ontstond het private-eye genre (waarin een privé-detective de hoofdrol vervult). Een van de klassiekers is bijvoorbeeld The Maltese Falcon (1941, John Huston). Het aantal kostuum- en spektakelfilms verminderde. Het sociale en psychologische drama kreeg een toenemende aandacht.
Zweden beleefde na 1945 een nieuwe bloeiperiode met regisseurs als Alf Sjöberg, Arne Mattson en Ingmar Bergman, die pas in de jaren vijftig internationaal bekend werd. De Franse films, gemaakt tijdens de bezetting, hadden na WO II in andere landen veel succes. Met regeringssteun steeg het aantal produkties van 72 in 1945 tot 126 in 1953.
Engeland maakte tevens een bloeiperiode door na de oorlog. De maatschappij van Joseph Arthur Rank had groot succes met Henry V (1944, van en met Laurence Olivier).
Het nieuwe medium televisie deed het bezoekersaantal dalen en de opbrengsten bleven ondermaats. In 1948 waren er in de VS nog 90 miljoen bezoekers per week; in 1950 waren er dat nog 60 miljoen.