Door de afname van het bioscooppubliek hadden de maatschappijen geen belang meer bij massaproduktie. Ze werden gedwongen hun eigen theaters af te breken en hadden geen controle meer over de films die vertoond werden. De anti-trustwetten hadden tevens tot gevolg dat producenten zich onafhankelijker gingen opstellen en in buitenlandse studio's gingen werken. De productiekosten waren er lager.
Op de concurrentie van de televisie reageerde men met nieuwe filmtechnieken. In 1952 werd de Cinerama-film gelanceerd. Drie projectors zorgden voor een breed beeld. In hetzelfde jaar ontstond de stereoscopische 3D-film, die echter geen succes had. In 1953 werd de eerste Cinemascope- film The Robe uitgebracht door 20th Century Fox. Dat breedbeeldsysteem was gebaseerd op het werk Henri Chrétien in de jaren twintig. Andere breedbeeldprocédés waren Todd-AO en Panavision. De filmstrook werd verbreed van 35 mm tot 70 mm. De grote spektakelfilms zoals The Ten Commandments moesten de mensen naar de bioscoop lokken.
Ook in Engeland bleef het bioscoopbezoek dalen. Om de filmproduktie te stimuleren werd in 1950 de British Film Production Fund gesticht. De Ealing-studio's waar bekende komedies waren gemaakt werden in 1956 aan de televisie verkocht. In 1959 werd het festival in Cannes verrast met films van François Truffaut Marcel Camus en Alain Resnais, die alle drie in de prijzen vielen. De producenten werden gewillig om geld in jonge filmers te steken, hetgeen een grote stroom debuten mogelijk maakte (nouvelle vague).
In 1959 voegde Cuba, dat voordien geen filmtraditie had, zich bij de film producerende landen met de oprichting van het Instituto Cubano del Arte e Industria Cinématograficos (ICAIC). Dat orgaan droeg zorg voor alle aspecten van het filmwezen. In 1960 werden de eerse resultaten geboekt. Humberto Solas en Santiago Alvarez, maker van documentaires, kregen internationale bekendheid. Stalins dood in Rusland had een politieke dooi tot gevolg. Films als 'De eenenveertigste' en 'Als de kraanvogels overvliegen' vielen in het buitenland op. In Polen deed Andrzej Wajda van zich spreken met As en diamant. De Japanse film werd voor het eerst in het buitenland weer bekend door Rashomon (1951, grote prijs van Venetië) van de cineast Akira Koerosawa. Daarnaast werd in de jaren vijftig het werk beroemd van regisseurs als Ingmar Bergman (Wilde Aardbeien, Het zevende zegel), Michelangelo Antonioni en Federico Fellini (La dolce vita)