Door haar sprankelende uiterlijk en haar onschuldig gevoel voor humor gaf Ginger Rogers de film-musical een nieuwe en zeer moderne dynamiek.
Ginger was geen ongrijpbare prinses uit een fantasieland die lichte operetteliedjes stond te kwelen, maar een persoon van vlees en bloed. Rogers danste geestdriftig en met gratie. Daarnaast zong ze de nieuwste liedjes van Berlin en Gershwin zoals deze bedoeld waren te worden gezongen, namelijk in het plat Amerikaans. Zij en Fred Astaire vormden een onweerstaanbare eigentijdse combinatie, waarmee het publiek van over de hele wereld zich kon (en nog steeds kan) identificeren. Zijn geestige romantische jacht op haar in al hun films had het effect dat zij veranderde van een aardige, opgewekte meid in de romantische vrouw uit de dromen van iedere man.
Aangespoord door haar ambitieuze moeder Lela Rogers (die later in Hollywood scenarioschrijfster werd) won Ginger charlestonwedstrijden voor amateurs. Daarnaast vormde ze het variété-nummer Ginger and the Red-Heads. In 1929 werd Ginger door producent Walter Wanger bij Paramount onder contract gebracht, terwijl ze ook optrad in de musical Top Speed op Broadway. De mooie Rogers maakte haar filmdebuut in 1930 in Young Man of Manhattan. Drie jaar later begon ze aan haar tien films durende samenwerking met Fred Astaire, in Flying Down to Rio.
Na tien jaar in musicals te hebben gespeeld, was ze er duidelijk op gebrand zich te bewijzen in een grotere variatie aan films. Met haar met een oscar bekroonde rol in Kitty Foyle deed ze dat ook. Van haar films die dateren van na de grote scheiding met Fred Astaire waren alleen Tom, Dick and Harry, Roxie Hart, The Major and the Minor en Monkey Business bijzonder opvallend.
De laatste filmrol die ze speelde, was als de moeder van Jean Harlow in de film Harlow, uit 1965. Dit betekende niet het einde van haar carrière. Ginger trad nog op in shows als Mame en Hello, Dolly!.