PORTRET STEVE MARTIN

Grappiger dan Jim Carrey?

Terug van weggeweest, met drie nieuwe films: enerzijds Mixed Nuts op video en anderzijds de bioscoopreleases Father Of The Bride II en Sgt. Bilko. Welkom terug, jongen.

Als je aan de gemiddelde bioscoopganger vraagt wie o wie de grappigste man van het witte doek is, zal het antwoord vrijwel zeker Jim Carrey zijn. Er is maar één man die (dunkt ons) enige concurrentie vormt voor Carrey. De Man Met Het Eeuwig Witte Haar (geboren in Waco, Texas, of all places) is één van de vele Hollywood-komieken (John Candy, Bill Murray, Dan Aykroyd, de Belushi's, etc. etc.) die beroemd werd op de planken van Saturday Night Live in de jaren '70. De overstap naar het witte doek maakte hij in 1978 met Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band, een een vreemdsoortige productie over de verschillende Beatles-hits. De eerste hit van formaat was The Jerk ('79), één van de vier films die Martin met regisseur Carl Reiner zou maken. Verder had hij dat jaar een cameo in The Kids are Alright, een documentaire over The Who, en de allereerste Muppet Movie.

De opmars begon in de vroege jaren '80. Na de kleinere producties Pennies From Heaven (Herbert Ross, '81) en Dead Men Don't Wear Plaid (Carl Reiner, '82), volgden de hits The Man with Two Brains met Kathleen Turner en All Of Me met toen-nog-echtgenote Victoria Tennant en Lily Tomlin; beide van Carl Reiner. Twee minder opvallende rollen in The Lonely Guy (Arthur Hiller, '84) en Movers and Shakers (William Asher, '85) later, schitterde Steve Martin in '86 in twee voor de rest weinig historische films: Little Shop Of Horrors (Frank Oz) en Three Amigos! (John Landis).

In 1987 begon het het betere werk. De eerstvolgende films waren Planes, Trains and Automobiles van John Hughes, en de Cyrano-persiflage Roxanne van Fred Schepisi. Einde jaren '80 was Steve Martin ei zo na de meest succesvolle komiek/familieacteur, dank zij het hilarische Dirty Rotten Scoundrels (alweer Frank Oz, '88) en het diepmenselijke Parenthood ('89), van Ron Howard. De trend werd nog verder gezet in de vroege jaren '90: Steve Martin scoorde hits met My Blue Heaven (John Bailey, '90, hier hertiteld als The Foolish Captive) en met Housesitter (en alweer Frank Oz) en Father of The Bride (Charles Shyer, beide '92).

Kwalitatief maar niet succesmatig hoogtepunt moet L.A. Story (Mick Jackson, '91) geweest zijn, een zwaar onderschatte komedie over het geschifte leven in Los Angeles. Het was op dit ogenblik dat Steve Martin een fout maakte die al veel was gemaakt en nog veel zal gemaakt worden (met Jim Carrey heel binnenkort): hij wilde de ernstige weg op. Zo waren er in '91 het superieure Grand Canyon (Lawrence Kasdan), in '92 Leap Of Faith (Richard Pearce), in '93 And The Band Played On (Roger Spottiswoode) en in '94 A Simple Twist of Fate (Gillies Mackinnon). Stuk voor stuk mooie maar genegeerde prenten. Steve Martin zag zijn fout blijkbaar in: in '96 is hij te zien in de drie genoemde nieuwe komedies. Wij zitten in elk geval op de eerste rij.