TOY STORY

In getallen uitgedrukt

Toy Story is niet alleen een wondermooie en doodleuke film, het is ook een technisch huzarenstukje. Vooraleer u dus die zuurverdiende centen bovenhaalt om die multimedia PC te kopen die 'dat ook wel zal aankunnen' toch nog even enkele duizelingwekkende getallen.

Net zoals (bijna) de rest van de effecten-industrie gebruikte men bij Pixar Silicon Graphics machines (SGI) om de animatoren met de software te laten werken. In de 3D-wereld is SGI bijna de de facto standaard geworden, en dit wegens de uitgekiende en zeer gespecialiseerde 3D architectuur. Dat de machines daarenboven nog zeer gebruiksvriendelijk zijn ook zal voor de (vaak computerschuwe) animatoren geen bezwaar zijn.

Om de beelden daadwerkelijk te berekenen en in te kleuren (het 'renderen') stapte men echter over naar machines van Sun Microsystems, en dit voornamelijk uit kostenoverwegingen. Samen met de mensen van Pixar ontwikkelde Sun de RenderFarm, een netwerk van 117 Sun SPARCstation 20 werkstations met een SPARCserver 1000 als 'texture server'. In het totaal goed voor 302 processoren (87 SPARCstation 20 werkstations met twee processoren en 30 met vier processoren, terwijl de SPARCserver 1000 maar liefst met 8 processoren was uitgerust). Alles samen had het systeem een rekencapaciteit van ongeveer 300 Cray 1 supercomputers!

Om de 110.064 beelden te berekenen waren zo'n 800.000 uren computertijd nodig! Een computer met slechts één processor aan boord zou zo'n 43 rekenjaren nodig gehad hebben... De rekentijd van één enkel beeld lag tussen 45 minuten en 20 uur, en per week werd maximaal 3,5 minuten animatie afgeleverd terwijl er in totaal 1.561 shots in de film zitten.

In Toy Story werden meer dan 400 modellen gebruikt, waaronder 76 karakters. Woody wordt beschreven door 52.865 lijnen modelcode, terwijl er 712 controlepunten aanwezig waren die de animator kon manipuleren. Buzz was beschreven door 'slechts' 34.864 lijnen modelcode en 'slechts' 700 controlepunten. Maar hij heeft wel 10 ingebouwde lichtbronnen! In het totaal worden alle modellen door 4,5 miljoen lijnen modelcode (of 270 megabytes) beschreven, en dit werd gerealiseerd door 22 'technical directors'.

Alle uiteindelijk beelden nemen zo'n 500 gigabyte in beslag, terwijl men 1 terabyte nodig had om alle filminformatie op te slaan. Elk beeld gebruikte zo'n 300 megabyte aan gegevens.

Nog een paar obscure, maar overigens totaal nutteloze gegevens: ongeveer 2000 'texture maps' werden gebruikt en men schreef ongeveer 1300 shaders (beschrijving van een oppervlak). Aan dat van Andy's haar werkte men 9 maanden! Maximaal 32 lichtbronnen werden terzelfdertijd gebruikt. Vijf ervan waren op Mr. Potato Head's oren gericht.

En om hoogtechnologisch te eindigen nog dit: de lijntesten van de film werden gefilmd met een Mitchell filmcamera uit 1912.

Toch maar sparen voor een iets zwaardere multimediacomputer?