Die periode is nog maar vier jaar geleden, maar in die tijd heeft de speciale effecten wereld zeker niet stilgestaan. De effecten uit die film leken spectaculairder dan die uit Terminator 2, maar moesten technisch gezien het onderspit delven. Ondertussen is het cinemapubliek verwend met Jurassic Park kwaliteit, en is virtuele realiteit al lang niet meer in. Het was dan ook uitkijken of men in het onvermijdelijke vervolg de effecten van Xaos en Angel Studios kon verbeteren.
Voor Beyond Cyberspace (of Jobs War) deed regisseur Farhad Mann een beroep op het bij het publiek minder bekende Cinesite, het effectenhuis van Kodak. Voor de miniatuureffecten ging hij aankloppen bij specialist Jack Sessums, die we nog kennen van zijn werk voor Money Train en Broken Arrow. De computergegenereerde effecten werden verdeeld over de beide vestigingen van Cinesite.
In Londen creëerden ze de virtuele werelden die door regisseur Farhad Mann werden bedacht, waarna de vestiging te Los Angeles deze beelden met de normale opnames combineerden. En daar waar de werelden in de eerste Lawnmower Man film eerder abstract waren besloot men voor het vervolg een soort kopie van een 'realistische' omgeving te maken.
Men bouwde een futuristische stad op in de computer, waarbij men, net zoals bij miniaturen, de dichtergelegen gebouwen meer detailleerde. En omdat een computer natuurlijk ideaal is om moeiteloos te gaan dupliceren bouwde men slechts een gedeelte van de stad die men dan keer op keer kopieerde om zo een uitgestrekt en indrukwekkend geheel te bekomen.
Vermits de beide vestigingen nogal ver uit elkaar liggen, en de regisseur slechts op één plaats tegelijk kon zijn maakte men, zoals het bij een technofilm past, gebruik van Internet om 's avonds de beelden die aan de andere kant van de wereld waren berekend te bekijken. Een nuttig gebruik van de infosnelweg waarvan de makers van Babe ook handig gebruik van maakten. De vraag is echter of het publiek nu nog te vangen is voor virtuele werelden als ze ook realistische dinosauriërs kunnen krijgen. Voor de techneuten nog even dit: elk beeldje nam zo'n tien megabyte in beslag, en werd doorgaans op 2000 lijnen ingescand.