VERFILMINGEN VAN POE (1/2)

Een snuifje filmgeschiedenis

Edgar Allan Poe (1809-1849) is een belangrijk fenomeen in de internationale literatuur. Hij wordt door velen beschouwd als de grondlegger van de moderne sciencefiction en het detectiveverhaal.

Het bekendste detectiveverhaal van zijn hand is Murders in the Rue Morgue, waar detective Dupin de moord op twee vrouwen via een briljant denkwerk oplost. Eén van de eerste bewerkingen naar het witte doek is in handen van Robert Florey, in 1931. Het is echter een verfilming die moeilijk te verbinden is met Poe, en voornamelijk doordrenkt is met een Darwineske filosofie. Andere verfilmingen die sterk verwijderd zijn van het origineel, zijn ondermeer The Phantom of the Rue Morgue (1954) van Roydel Ruth en Murders in the Rue Morgue (1971) van Gordon Hessiers.

Een zeer knap gemaakte bewerking van verhaal naar doek is La Chute de la Maison Usher (1928). Jean Epstein slaagt erin om een typisch gegeven van Poe, in een stomme film, naar voren te brengen: dit is namelijk dat het vreselijke zich steeds incarneert in de mens zelf en niet in zijn omgeving, wat zeer duidelijk is in The Tell-Tale Heart. Tevens slaagt Epstein erin, via piepende deuren, duistere gangen en mysterieuze schaduwen, een Unheimlichkeit bij de kijker op te roepen: het is alsof de toeschouwer zich gevangen voelt in het huis Usher en er niet uit ontsnappen kan. Vele Poe-verfilmingen hebben problemen met het korte karakter van de verhalen. Epstein ontloopt dit probleem omdat hij zich een korte, semi-surrealistische en niet-complexe prent tot doel had gesteld.

Een minder geslaagde verfilming van The Fall of the House of Usher is van Roger Corman, namelijk House of Usher (1960). Het is het eerste deel van een reeks Poe-adaptaties. De kritiek op deze versie was tweeledig. Enerzijds had ze betrekking op het baliekluiverige en oppervlakkige draaiboek, anderzijds op de slechte acteerprestatie van Vincent Price. Een andere verfilming van Corman die in deze reeks van adaptaties past, is The Tomb of Ligea, maar ook deze film werd aanvankelijk niet door de critici gewaardeerd, hoewel hij dicht bij het oorspronkelijk werk ligt. Om in de jaren zestig te blijven, is er nog de film Histoires Extraordinaires (1967) van Roger Vadims het vermelden waard. Hij vermengt het groteske met veel sarcasme, een gegeven dat later nog vele malen zal herhaald worden.

Al in het vroege-stomme-film-tijdperk waren de short stories van Poe ideeënleveraars voor de filmmakers. In 1909 verfilmt Maurice Tourneur The System of Doctor Tarr and Professor Fether (Le Système du Docteur Goudron et du Professeur Plume). 1914 is ook een belangrijk jaar voor de Poe-verfilmingen, mede door David Wark Griffith, die verschillende thema's van de Amerikaanse grootmeester vermengt om zo tot een nieuw verhaal van waanzin en slecht geweten te komen.

De Duitser Ridchard Oswald adapteert in 1919 The Black Cat voor een episode van Unheimliche Geschichten. Dit is het begin van verschillende bewerkingen van het vandaag de dag legendarisch geworden verhaal. Een zeer sensationele en populaire versie ontstaat door de handen van Max Reinhardt en F.W. Murnau. Zij spelen in op een kattenfobie, op incest, sadisme, masochisme, necrofilie en zwarte kunst. De film kostte aanvankelijk 91.125 dollar; maar werd nog met 6.500 dollar duurder om de horror en de seksuele notie af te zwakken.

Van uitzonderlijk belang voor de Poe-verfilmingen en al kort aangehaald, is Roger Corman. Zijn films proberen het Poe-universum weer te geven, maar worden tevens bepaald door B-film-conventies, Freud en een Oscar Wilde-achtige stijl. De werking van Cormans films zijn het grootst wanneer de toeschouwer ze voor de eerste keer ziet. De eerste Cormanverfilming is House of Usher. Deze film kostte 270.000 dollar en werd in drie weken in elkaar geknutseld. Uiteindelijk bracht de film meer dan twee miljoen dollar in het laadje. Opmerkelijk bij deze verfilming en de vele andere verfilmingen is het sterk afwijken van de brontekst.

In 1961 volgt The Pit and the Pendelum, met onder andere Vincent Price in de hoofdrol. De derde film die in het rijtje past, is The Premature Burial (1961); een verhaal dat handelt over de angst om levendig begraven te worden. Het maxime van de film luidt ook hier niet werkgetrouwheid, wel atmosfeerovereenkomst. De volgende film van Corman in verband met Poe is Tales of Terror, drie maanden na The Premature Burial was deze film al klaar. Hij combineert vier Poe-verhalen, waaronder The Black Cat en The Cask of Amontillado en wordt tevens als één van de beste verfilmingen gezien hoewel de film maar met zestig procent met de brontkst overeenkomt.

Poe bleef Corman nog verschillende malen inspireren, denken we maar aan The Raven, een film gebasseerd op het bekendste gedicht van Poe. In plaats van een verhaal over liefde en angst ontstond er een satire op verschillende griezelclichés, met maar één overeenkomst met het gedicht, namelijk het opduiken van een raaf. Deze film bracht desondanks 1,4 miljoen dollar op. Nog een laatste Poe-verfilming is The Tomb of Ligea. Hier eindigt Corman zijn Poe-cyclus. Na deze verfilmingen van Poe verdiepte Corman zich in een andere literaire grootmeester, Lovecraft. Door de commerciële successen die Corman behaalde, voelde vele andere regiseurs zich ook geroepen om uit hetzelfde vaatje te tappen. Een mooi voorbeeld hier is The Masque of the Red Death (1964) van Nicolas Roegs.

Wordt vervolgd...