Onder de verschillende hedendaagse special effects grootmeesters zijn er een handvol die de term genie op hun visitekaartje mogen schrijven. Het zijn die talenten die de fx-industrie steeds naar nieuwere technische (en artistieke) hoogtepunten stuwen. Richard Edlund is er zo één. Hij leerde fotografie van een leraar op zijn middelbare school, en reeds op vijftienjarige leeftijd kreeg hij sportfoto's gepubliceerd in de Los Angeles Examiner. Toen hij zeventien was trok hij met de Navy naar Japan, waar hij de kans kreeg om met een hogesnelheids Mitchell camera te experimenteren. Hij had de smaak te pakken, en toen zijn dienst er op zat schreef hij zich in 1961 in voor filmstudies aan het bekende University of Southern California.
Drie jaar later begon hij te werken bij Joe Westheimer, ASC waar hij onder meer filmtitels maakte en filmde. In 1968 verhuisde hij naar San Francisco waar hij rock-groepen fotografeerde en experimentele films maakte. Zijn technisch vernuft kwam naar boven toen hij een draagbare versterker ontwikkelde voor elektrische gitaren. In 1973 werd hij door Robert Abel - gekend voor zijn high-tech reclamefilms - terug naar Hollywood gebracht, waar hij begon te experimenten met motion control-systemen.
In 1975 kreeg hij tenslotte het telefoontje waar iedere effectenliefhebber van droomt: George Lucas die vroeg om zijn pas opgerichte firma Industrial Light & Magic te vervoegen met als doel Star Wars (1977) te filmen. En de rest is in feite geschiedenis. Voor deze legendarische film kreeg hij zijn eerste oscar, en toen eenmaal duidelijk werd dat Lucas een trilogie voor ogen had, besloot hij die uit te dienen. Het zou hem geen windeieren leggen. Voor zowel The Empire Strickes Back (1980) als Return of the Jedi (1983) mocht hij namelijk opnieuw zo'n beeldje afhalen, terwijl hij dat - als 'rustperiode' tussen de tweede en derde film - ook had mogen doen voor Raiders of the Lost Ark (1981).
Zijn technische innovaties werden dan weer beloond met twee Motion Picture Academy Science-Technical Class Two Awards, beide in 1981 (deze prijzen waren voor het concept en het ontwikkelen van een beam-splitter optical composite motion picture printer, en het ontwikkelen van de Empire Motion Picture Camera System). In diezelfde periode werkte hij ook aan Battlestar Galactica (de Star Wars kloon uit 1979), The China Syndrome (1979) en Poltergeist (1982) waarvoor hij een oscar nominatie kreeg. In 1983 verliet hij dus ILM om zijn eigen firma op te richten: Boss Film Studios, en met Ghostbusters (1984) en 2010 (1984) kon hij onmiddellijk aan de slag. Voor beide kreeg hij opnieuw een oscarnominatie maar moest ironisch genoeg de duimen leggen voor Indiana Jones and the Temple of Doom (1984) van ILM. Belangrijker is evenwel dat hij met 2010 zich reeds in de digitale wereld waagde, terwijl de meeste anders effectshuizen daar nog zeer weigerachtig tegenover stonden.
Hij gebruikte hiervoor een Cray XMP s upercomputer, en de digitale film printer waaraan hij reed rond 1978 had zitten denken. Later zou hij nog oscarnominaties krijgen voor Poltergeist II (1986), Die Hard (1988) en Alien3 (1992), terwijl hij verder nog aan onder andere Ghost (1990), Batman Returns (1992) en Cliffhanger (1993) meewerkte. In 1978 kreeg hij nog maar eens een Motion Picture Academy Science-Technical Class Two Award voor de Zoom aerial image optical printer (Z.A.P).
Sinds 1991 is hij als executive producer van een aantal thema-films (de Noah trilogie voor Nagasaki, Journey to Technopia voor Zuidkorea, en Scuba Dog voor de Taito Corp. in Japan) zeer succesvol, en sinds november 1994 heeft hij zich met zijn firma ook op de markt van de videospelen geworpen. Het is enkel jammer dat hij zich, door zijn drukke agenda als stichter van Boss, meestal 'slechts' als visual effects producer met de effecten kan bezighouden, maar blijkbaar heeft hij de microbe weer te pakken, want na Species (1995) treedt hij dus opnieuw op de voorgrond met Multiplicity.