THE HUNCHBACK OP HET GROTE DOEK

In de sporen van Lon Chaney en co

The Hunchback of Notre Dame is Disney's 34e avondvullende tekenfilm op rij. Vanzelfsprekend was het trieste verhaal van Quasimodo al eerder onderwerp van verfilming.

De allereerste adaptatie van Victor Hugo's beroemde roman dateert al uit 1905 en was een stomme Franse versie met de titel Esmeralda. Er volgden in het 'stille' tijdperk nog drie andere verfilmingen: Notre Dame de Paris uit 1911 en The Darling of Paris, de eerste Amerikaanse versie met Theda Bara in de titelrol. In 1913 volgde nog een Franse verfilming: The Notre Dame de Paris, van een onbekende regisseur. In 1916 volgde The Darling of Paris van J. Gordon Edwards.

De man die Quasimodo beroemd maakte, was dezelfde die ook Erik en Dracula een gezicht gaf: Lon Chaney. Chaney was de zoon van doofstomme ouders en leerde zich uitdrukken door middel van pantomime en mimiek. Toen hij in 1919 opdook in horrormeester Tod Brownings The Wicked Darling had 'The Man of a Thousand Faces' al 38 films achter zijn naam staan. Universal ging in 1923 met Chaney en zee en samen met stuntman Joe Bonomo zette hij een hallucinante prestatie neer. Twee jaar later zou Chaney dat huzarenstukje overdoen als Erik in The Phantom of the Opera, waar hij in de finale scène in de nog niet afgebroken decors van The Hunchback voor de kathedraal van de Notre Dame werd doodgestenigd.

Negen jaar na Chaneys triomftocht bereidde Universal een remake voor met die andere horror-gigant Boris Karloff in de hoofdrol, maar die film is er nooit gekomen. Het was wachten tot 1939, toen de eerste geluidsversie en volgens velen de beste Hugo-verfilming ooit, werd gemaakt. De Duitser William Dieterle regisseerde; Charles Laughton speelde de rol van Quasimodo; Maureen O'Hara debuteerde in een Amerikaanse productie door de grote poort als Esmeralda. Voor RKO Pictures was The Hunchback of Notre Dame met een budget van twee miljoen dollar hun duurste film ooit, en kon rekenen op zowel kritisch als commericieel succes: de film werd dat jaar genomineerd voor de het beste geluid en beste score.

Interessant, maar totaal onbekend, werd een Franse versie uit 1957, geregisseerd door Jean Delannoy, een mister-nobody die in het verleden nooit verder was gekomen dan verfilmingen van Inspecteur Maigret-romannetjes. De indertijd met zijn gezondheid sukkelende Antony Quinn werd gecast als Quasimodo en de mooie Gina Lollobrigida speelde Esmeralda. Deze versie, waarin - trouw aan Hugo's verhaal - Esmeralda op het einde sterft, werd trouwens aan de Disney-staff getoond als referentie voor hun tekenfilm.

Ook voor televisie bleef Quasimodo geen onbekende. In 1976 regisseerde Alan Cooke een versie voor NBC, met Warren Clarke in de rol van Quasimodo en met Michelle Newell als Esmeralda. Een opmerkelijke versie kwam er in 1982, van Michael Tuchner, met Sir Anthony Hopkins (Quasimodo) en Lesley-Anne Down (Esmeralda). Deze versie haalde de Parijse kathedraal naar de Pinewood studio's in Londen, terwijl make-up artiest Nick Malley tien weken de tijd nam om een onherkenbare Hopkins op indrukwekkende wijze te transformeren. Zijn vertolking riep herinneringen op aan de prestatie van Laughton, veertig jaar eerder.

En nu is er dus de versie van Disney, waarin de doofstomme Quasimodo zowaar uit volle borst meezingt. Nogal ver verwijderd van Hugo's origineel en allemaal nogal braafjes. Maar wel een staaltje van pure filmmagie. We kunnen nu al niet meer wachten op Disney's volgende film: Herculus.