OVERZICHT 1996: SPECIALE EFFECTEN

De natuur bedwongen

Op het gebied van speciale effecten was 1996 een uitzonderlijk jaar. Geen doorbraak zoals in 1993 met Jurassic Park, maar wel een voortzetting in het streven naar de perfectie. En vooral de natuur heeft hiermee een geduchte concurrent bijgekregen.

Speciale effecten dienen, in theorie althans, om de werkelijkheid na te bootsen (omdat die anders te duur of te gevaarlijk is), of om een onmogelijk iets te visualiseren (een vreemde wereld, of een uitgestorven dier bijvoorbeeld). En in de meeste gevallen is het de bedoeling dat die effecten dus niet opvallen, of, in het geval van onbestaande zaken, dat ze zo realistisch zijn (en zo goed geintegereerd in het verhaal) dat de kijkers na enkele minuten vergeten zijn dat ze eigenlijk naar effecten zitten te kijken.

Tot zover de theorie, want in de praktijk blijkt het overgrote deel van de (effecten)films aan één of meerdere van bovenstaande definities niet te voldoen. En ook dit jaar waren het aantal films waarin de effecten een louter ondersteunende rol speelden in de minderheid.

Strange Days en Twelve Monkeys bijvoorbeeld. Twee in de min of meer herkenbare toekomst gestitueerde visionaire films waarin het beeld een zeer grote rol speelt. De effecten in deze beide films waren zo in het verhaal geïntegreerd dat het publiek er zeker niet is bij blijven stilstaan. Denk bijvoorbeeld aan de massascènes in Strange Days, waarvoor men, net als in Hunchback of Notre Dame, de computer gebruikte. Of de scène waarin een drager van de gedachtenlezer recht in een spiegel kijkt. Eigenlijk had de kijker daar dus een camera moeten zien...

Ook From Dusk Till Dawn en James And The Giant Peach voldoen redelijk aan de gestelde eisen. From Dusk is zo over the top, dat je de vampiers er maar graag als totaal realistisch bijneemt. Een huzarenstukje op make-up gebied trouwens, vermits het aantal afzichtelijke niet-doden, Tarantino en Rodriguez waardig, nogal overdreven was. James And The Giant peach is, net als zijn 'voorganger' Nightmare Before Christmas, een stop-motion huzarenstuk in combinatie met de laatste CGI technieken. Maar blijkbaar heeft men sindsdien in Hollywood het geloof in deze techniek volledig verloren, en zou dit wel eens de laatste grote film met deze oude techniek geweest kunnen zijn.

De grote trend dit jaar was echter een verderzetting van een aloude droom: het nabootsen van de natuur. In 1993 maakte men een enorme sprong voorwaarts met de dinosauriërs in Jurassic Park, en dit jaar kregen we in verschillende films grote doorbraken op dit vlak te zien. De meeste van die grensverleggende 'natuurlijke' illusies zijn op naam te schrijven van Industrial Light and Magic, die al sinds Star Wars in 1977 jaar na jaar de standaarden definieert.

In Twister wisten ze op realistische wijze tornado's in de computer op te wekken. De effecten waren echter zo goed dat ze, volgens regisseur Jan de Bont, de film overschaduwden. Wie echter de originele Wizard of Oz bekijkt zal bemerken dat in deze stokoude film een zeer realistische tornado te zien is. Niet in klaarlicht dag, en redelijk in de verte, dat wel, maar toch opvallend gelijkend op de tornado's in Twister. Deze film was dan ook de maatstaaf voor de animatoren in ILM, maar als je weet met welke primitieve middelen dit effect in die film werd gerealiseerd denk je wel iets minder positief over de effecten in Twister.

Een andere grote doorbraak was te zien in Jumanji. We werden hierin immers geconfronteerd met dieren die we allemaal kennen: olifanten, neushorens, apen, leeuwen. Welliswaar iets overdreven voorgesteld, maar des te moeilijker na te bootsen wegens die herkenbaarheid. En alhoewel er minder goede effecten zitten in de film is minstens één effect een echte doorbraak op het gebied van computeranimatie. Voor de scènes met de leeuw gebruikte men een pop, en een computermodel. Het technisch huzarenstukje bestond er in om de haren van de leeuw in de computer te modelleren, en dat is wonderbaarlijk goed gelukt. Een doorbraak die belangrijk is in de mogelijke realisatie van een computermens.

En tenslotte werd ook in Dragonheart de natuur op wonderbaarlijke wijze bedwongen. Je hebt natuurlijk de computergegenereerde regen, maar de showsteler was ongetwijfeld de draak. Dit computermodel is zo indrukwekkend dat zelfs Scott Ross, hoofd van ILM's grootste concurrent Digital Domain, dit moest toegegevn in een persoonlijk interview dat we met de man hadden. De draak is niet alleen vele malen complexer dan de T-Rex uit Jurassic Park, het is ook een prachtig staaltje karakteranimatie. De nuances zijn zo gevarieerd, en zo subtiel dat men van een effect buiten categorie kan spreken. Ongetwijfeld het mooiste effect van het jaar.

De natuur wordt dus belaagd, maar ook de studio-omgeving en het werken op lokatie. Blue screen, modellen en matte paintings zijn natuurlijk oeroude technieken om een bepaalde lokatie te gaan nabootsen, maar de mate waarop dit gebeurde in Mission: Impossible is zeker revolutionair te noemen. De scène in kwestie speelt zich af op het einde van de film in en rond de kanaaltunnel. Hierin is bijna niets wat het lijkt te zijn. De trein is computergengenereerd, terwijl het landschap uit verschillende lokaties is samengesteld. Zelfs de helikopter is een computermodel. Enkel de ontploffingsscène werd met modellen gerealiseerd. De rest is dus een virtuele set. De scène is zeker niet perfect, maar was eigenlijk zo realistisch dat hij geweigerd werd in de prestigieuze Siggraph conferentie omdat men niet inzag wat dit nu met computeranimatie had te maken... Van alle effecten die we dit jaar zagen zal deze treinscène ongetwijfeld de grootste invloed hebben op het makingsproces van toekomstige films. De 'digital backlot' waarover men al jaren spreekt is hiermee iets realistischer geworden.

Independance Day (ID4) wordt beschouwd als de grootste effectenfilm van het jaar, en theoretisch gezien is het dat (misschien) ook. Het is ongetwijfeld de film met de meeste traditionele effecten in de computer-gerichte fx-mania, maar buiten enkele grootschalige actiescènes die Return of the Jedi concurrentie probeerden aan te doe, en enkele redelijk indrukwekkende vernietigingsscènes was er niet veel interessants te rapen. Bij het bekijken van Daylight krijg je opnieuw zo'n massadestructie te zien, en alhoewel deze ongetwijfeld ook niet echt realistisch is (in werkelijkheid zou alles veel sneller vernietigd worden) waren we hiervan sterker onder de indruk. Technisch gezien waren ze beter, en ook op dramatisch vlak lieten ze een grotere indruk na.

In Multiplicity kregen we een hedendaagse versie te zien van een effect dat al even oud is als de cinema zelf: een akteur die met zichzelf in beeld komt. De laatste film waarin we dit zeer effectief zagen gebeuren was Back To The Future II. Maar nu werd de lat nog hoger gelegd: Michael Keaton kwam in vier copijen op het scherm, en de interactie tussen die klonen werd op een voortreffelijke manier door grootmeester Richard Edlund in goed banen geleid.

Maar dit jaar er was ook heel wat rommel (of toch ondermaats werk) te zien. Eraser bijvoorbeeld. Nog nooit hebben we zo'n big budget fx-film zo zien afgaan door de zeer lage kwaliteit van de effecten. Alleen al door de slechte beeldkwaliteit zag je dat er een effect aankwam. Het laagtepunt was ongetwijfeld de 'spectaculaire' vliegtuigscène waarin Schwarzenegger zonder parachute naar buiten springt. Overduidelijk nep. Weg illusie, weg spanning. De enige scène die nog enigszins interessant was speelde zich af in de nabijheid van een krokodillentank. Maar ook hier viel de 'onnatuurlijkheid' op. En de krokodillen waren nochtans het werk van ILM...

Een andere (redelijke) miskleun was Escape From L.A. De duikboot-sequentie en de surfscène zijn niet te vergeven flaters. Jammer dat Buena Vista Visual Effects met dergelijk ondermaats werk z'n zwanenzang zong.

Maar laat ons eindigen met twee favorieten. Babe (die eigenlijk niet geheel terecht de oscar wegkaapte vóór de technisch gezien veel betere effecten van Apollo 13) was een film waarin de effecten enkel in de positieve zin werden gebruikt. Na enkele minuten in de film vergat je dat je naar een sprekend zwijn zat te kijken. Een prachtige illusie, en ook weer dankzij de computer, en het geduld van de animatoren.

En dan is er natuurlijk Toy Story. Net als bij Babe vergat je na enkele minuten dat je eigenlijk enkel naar bits en bytes zat te kijken. De animatie in Dragonheart was beter, en het realisme in Jumanji groter, maar in zijn context was Toy Story perfect. Het verhaal speelt zich immers af in een kinderkamer, en met kinderspeelgoed, en daarom was het bekomen realisme honderd procent geslaagd. De film is de eerste volledig computergegenereerde animatiefilm, en heeft daarom, naast Sneeuwwitje, een plaats veroverd in de geschiedenisboeken. En dat is niet iets wat je ieder jaar mag meemaken. Samen met Dragonheart het hoogtepunt van fx-1996.