ACHTERKLAPPER

And the oscar doesn't go to...

Movie's achterklapper is een column waar op onregelmatige tijdstippen ingezoomd wordt op gebeurtenissen in de kantlijnen van het filmgebeuren.

Stel je voor dat je in een gemiddelde Amerikaanse videotheek een exemplaar van Daens in de rekken vindt. Het overkwam mij tijdens de kerstdagen in een videotheek van de gigantische Rogers-keten. Ik voelde me al slap in de benen worden, en toen had ik nog niet eens het citaat op de hoes gezien. Want, zoals de Amerikanen zo graag met citaten uit recensies gooien, hadden de distributeurs voor Daens (spreek uit met een zware Amerikaanse tongval) een wel heel flatterend citaat op de kop getikt.

'A prime example of the explosion of Belgian talent'

En nochtans, vorige week mocht de Tsjechische prent Kolya naar huis met de Golden Globe voor de Best Foreign Language Film. Wie er door deze onbegrijpelijke beslissing in de kou bleef staan, was landgenoot Jaco Van Dormael en zijn bravourestukje Le Huitième Jour. Slechts het jongste slachtoffer van de pijnlijke Belgische traditie om, in Hollywood tenminste, uitgerekend nààst de prijzen te vallen.

Uit een wandeling door de recente geschiedenis van de nationale filmindustrie blijkt dat dit land een indrukwekkende lijst kan voorleggen van films die carrière maakten in het buitenland of op festivals werden bekroond. Manneken Pis maakte brokken in San Sebastian, Locarno, Valladolid en zelfs Japan; Taxandria in Porto, Toto Le Héros mocht in '91 naar huis met de Camera D'Or in Cannes, en was door de Britse Academy genomineerd voor Best Foreign Language Film, en dan hebben we het nog niet eens gehad over andere festivalfavorieten als C'est Arrivé près de chez Vous, La Promesse en La Vie Sexuelle des Belges. Vergeleken met de erbarmelijke staat van de Belgische filmindustrie tijdens de jaren tachtig, zou je inderdaad kunnen spreken van een explosie van talent: Coninx, Corbiau, Van Dormael, noem maar op.

En toch blijft de erkenning in Hollywood, het mekka van de film, koppig uit. Het is een feit dat dit kleine landje tussen '88 en '94 liefst driemaal genomineerd was voor een oscar voor Best Foreign Language Film, en wel voor Le Maître de Musique, Daens en Farinelli. Drie keer greep datzelfde landje naast het felbegeerde beeldje (in het voordeel van respectievelijk Pelle The Conqueror, Indochine en Burnt By The Sun). Je kunt je bovendien gaan afvragen waarom producten als Manneken Pis en Toto Le Héros nooit een nominatie kregen, maar het kan natuurlijk niet elk jaar feest zijn (akkoord, Farinelli mocht vorig jaar de Golden Globe in ontvangst nemen in de zelfde categorie, wat mogelijk de beslissing van het comité verklaart).

Vergelijk nu wat er gebeurt wanneer onze noorderburen eens om de tien jaar (no offense) een memorabele film de wereld insturen (hoewel er over valt te twisten hoe Nederlands een film is die volledig in België werd gedraaid met overwegend Belgisch geld en een grotendeels Belgische cast). Antonia werd genomineerd voor een oscar en kreeg die zonder de minste moeite ook mee naar huis (mevrouw Gorris slaagde er overigens in niet één Belg te bedanken in haar oscarspeech, maar dat geheel terzijde). Tevens werd de film overladen met prijzen in Toronto, Portland en, euh, Utrecht. Dat, meneer, is de Hollandse manier van doen.

'A prime example of the explosion of Belgian talent'

Er wordt wel eens gezegd dat de Belgen hun waar niet kunnen verkopen en veel te laks zijn om ergens met veel lawaai binnen te vallen. We krijgen dit voorjaar met Le Huitième Jour de zoveelste kans onszelf in Hollywood te bewijzen als toonaangevend Europees filmland. Het is veruit ondenkbaar dat de Academy op 11 februari Le Huitième Jour niet zal nomineren. Maar of we deze keer het beeldje wel naar huis zullen krijgen? Ik hou mijn adem alvast niet in.