Ik herinner me de oorspronkelijke tv-reeks van Star Trek. Het moet al begin jaren tachtig geweest zijn toen ik voor het eerst kennismaakte met de serie. Het zal zo ongeveer de periode geweest zijn dat je als kind ook naar Buck Rogers keek, of Battlestar Galactica, of Xenon, maar daar herinner ik me helemaal niets meer van. Wel van Star Trek. Het zijn herinneringen als een droom, waar elke logica ontbreekt en de dingen zich slechts bij wijze van brokstukken aandienen. Het zijn herinneringen, ingepakt door de tijd, vernist met een dun laagje nostalgie. Het waren namiddagen dat je met een groot glas melk voor de buis kroop en met uitpuilende ogen gaapte naar het kartonnen interieur van de U.S.S. Enterprise (en het bibberige zoemen van de deuren). Het waren de namiddagen dat Spock en McCoy blauwe pakken droegen (zoals pyjama's, dacht ik toen), de namiddagen dat de vrouw van wie ik pas veel en veel later zou vernemen dat ze eigenlijk Uhura heette, ronddartelde met zo'n typisch jaren zestig kapsel en een strak rood pak. Maar het waren vooral de namiddagen van Captain James T. Kirk, de Leider van het schip, de God van het heelal, de Bezieler van alles. En in het vaalgeel. De mooiste kleur van allen.
Maar hoezeer de avonturen van Star Trek me als kind ook in de ban hielden, we verloren contact. De films die in de jaren tachtig over het scherm rolden gingen aan mij voorbij en tot mijn grote verbazing zag ik James T. Kirk begin jaren negentig slechts terug op een vermoeide avond vol zappen: als presentator van Rescue 911. Dat programma opende hij altijd met de zin 'I am William Shatner', alsof hij de kijkers er eerst van moest overtuigen dat hij het echt was. Dat de man in dat driedelig kostuum, met grijze haren, met opgeblazen gezicht en bierbuik het werkelijk was: de man die avonturen beleefde en ging waar niemand ooit al was gegaan. Soms vallen legendes van hun sokkel en ze breken dan in onherstelbare stukjes herinneringen.
* * *
Vijftien jaar later. Hoeveel films zijn er intussen gemaakt van Star Trek? Zeven? Acht? Negen? En hoe zit dat met The Next Generation, Deep Space Nine en Voyager? Zowel de vragen als de antwoorden dienen zich aan in drie lange Star Trek avonden, waarin ik met twee Star Trek-fans de hele Trek-saga op video bekijk. Twee avonden trekken als het ware. Het is alsof ik zonder parachute het vliegtuig uitgeduwd word en eindeloos lang blijf rondzweven in het oneindige en onbekende universum. En in dat universum klitten de brokstukken samen tot zinvolle gehelen. Een heerlijk gevoel van deja-vu overvalt me: ik herken de mensen die iconen werden: Kirk, Spock, Bones, Scotty. Het geeft een goed gevoel om te zien hoe ze opgetrommeld worden om in een nieuw avontuur weggewarpt te worden en ik ben blij dat Spock er nog bij is, want, zo vertelt men mij, hij zou oorspronkelijk vervangen worden door de Vulcan Xon. Het herinnert mij eraan dat Spock een half-Vulcan is. Met uitspraken als 'Highly illogical' en 'fascinating, captain', heeft hij meteen mijn oneindige sympathie te pakken.
Dat neemt niet weg dat deel één oeverloos saai is (hij wordt, zo zegt men, ook wel The Slow Motion Picture genoemd). Het verhaal heeft niets maar dan ook niets om handen, er is een acuut gebrek aan enige spanning en de karakters kunnen me hoegenaamd niet boeien. Het is alsof alle nostalgische herinneringen aan vroeger uitgevaagd en vervangen worden door een diepgewortelde antipathie. Ik wil stoppen met kijken, ik wil mijn herinneringen niet wegschillen, en bewaren wat ik heb, maar men kan mij overhalen om op z'n minst ook naar deel twee te kijken. En ze hebben gelijk. In The Wrath of Khan klikt er iets in mijn hoofd, schuiven de puzzelstukken in elkaar: de karakters die in deel 1 onzichtbaar waren, komen hier tot leven. Er zit gevoel en sentiment in de film en Spock brengt een offer. Op dat moment beslist hij voor mij dat ik verder zal kijken, van drie tot zeven en straks ook acht. Spock is de echte held van Star Trek en tot mijn grote opluchting wordt hij teruggevonden in het derde deel.
We zitten al diep in de volgende avond (letterlijk en figuurlijk, zie de foto onderaan) als we Star Trek IV bekijken. Een aangename verrassing. Amusant en absurd. Grappig en genietbaar. Spcok loopt de hele film rond in zijn badjas en de bemanning landt (in een Klingon starship) in het Golden Gate Park van San Francisco. De vierde film geeft me een gevoel van warmte. De bemanning kent elkaar en wij kennen hen. We weten dat ze voor elkaar door het vuur zouden gaan. Hun spel, hun interactie, bereikt memorabele hoogtepunten. En er is dus humor in de film. Nog nooit gezien. Star Trek V betekent jammergenoeg het keerpunt, het punt waarop alles terug kantelt. The Final Frontier probeert in zijn beginsequentie (Kirk, Spock en Bones op een kampeertrip) die nooitgeziene interactie te bewaren, maar bereikt het omgekeerde effect en de rest van het verhaal kruipt voorbij als een bejaarde slak en eindigt met een God die eruit ziet als de kerstman. Star Trek VI eindigt met de handtekeningen van William Shatner, Leonard Nimoy, DeForest Kelley en de anderen. Het definitieve einde, het onherroepelijke terminus. Maar het is een slotakkoord zonder harmonie, zonder pathos. Die wordt bewaard tot Kirk in Generations sterft en de scepter figuurlijk wegslingert naar de kale Picard, die ik alleen ken uit de boekjes. Het is defintief voorbij, de originele Star Trek is dood. Picard, Whorf, Data, Soran of wie dan ook kunnen me niet boeien.
* * *
Veertien uur Star Trek, een lange zit voor iemand die nooit een trekkie zal worden. Ik sta nu eenmaal niet wild van ruimteschepen die in het heelal ronddolen, ik krijgt geen orgastische neigingen van de speciale effecten, ik erger me dood aan stock-footage, de eindeloze space opera gimmicks, het gefilosofeer en de technobrabbel (pseudoscientific gobbledegook, noemde iemand dat). De Klingons hebben me nooit kunnen bekoren als waardige slechterikken, de meeste Vulcans lijken gewoon dom. Star Trek heeft maar één troef en dat is een uitgesproken narcisme, een eigenliefde die soms fetisjistische hoogtepunten bereikt. Het gaat hem om de relaties tussen de spelers, de oude vrienden die het voor elkaar opnemen en voor elkaar zouden sterven. En natuurlijk dat ene moment, uitvergroot als door een indrukwekkend vergrootglas, langzaam als in een vertraagde sequentie. Dat gezicht vol onbegript, die oren, die wenkbrauwen. De schijndood van Spock. Alleen dat deed me iets.