Kevin McAllister is het alter ego dat Macaulay Culkin in een klap steenrijk en wereldberoemd maakte. Vier jaar geleden stond de blonde knaap met azuurblauwe ogen op filmgebied ongeveer even ver als u en ik. Via de zeer matige komedie Uncle Buck van ene John Hughes kwam Macaulay in the picture. Een jaar later deed zijn hoofdrol in het prettig gestoorde Home Alone zoveel stof opwaaien dat hij Hollywoods allernieuwste paradepaartje werd.
De film kende een overdonderend succes en steeg als een overdadig opgeschroefde raket naar de hoogste regionen van de box-office. De film deed het zo goed dat het niet anders kon, of er werd twee jaar later een vervolg aangebreid.
Het figuurtje uit Home Alone was er een om zo hard te knuffelen dat je het zou platdrukken: een blonde krullebol, diepblauwe kijkers, ongeloofelijk grappig en bovendien weergaloos lief. Meteen zat Macaulay opgezadeld met de schrik van alle zichzelf respecterende acteurs: het castingprobleem.
In The Good Son krijgt Macaulay alle kans om zijn kinderster-gezicht af te schudden en te laten zien wat hij in zijn mars heeft. En wat u van deze tot leven gekomen Ken-van-Barbie ook mag zeggen, dat is heel wat meer dan het drieletterwoord 'yes!' debiteren. In deze thriller van Joseph Ruben (The Stepfather, Sleeping with the Enemy) laat hij zich van een heel andere kant zien. Hij doet dat bovendien op een professionele en overtuigende manier.
Culkin kruipt in de huid van Henry, een jongen die er op het eerste gezicht zo normaal uitziet als een doordeweekse slungel er hoort uit te zien. Achter die facade schuilt echter het Kwaad. Henry krijgt tijdens de wintervakantie het gezelschap van zijn neef Mark Evans, wiens moeder net overleden is en bij zijn oom en tante wordt gedropt door zijn vader, die een belangrijke zakenreis moet ondernemen.
Aanvankelijk kunnen de twee jongens het goed met elkaar vinden. Mark is een rustig type, maar door de impulsieve Henry wordt hij uit zijn verdriet gesleurd en bloeit hij helemaal open. Niets aan de hand, zou je denken. Het duurt echter niet lang, of Mark begint de eigenaardige fascinatie voor de dood van Henry te doorgronden. Op een dag schiet Henry met een kruisboog een hond dood en veroorzaakt hij een immens verkeersongeluk.
In Henry's brein ontspinnen zich moorddadige plannen. Mark is echter aan handen en voeten gebonden, want Henry is een wolf in schapevacht. In de ogen van zijn ouders kan hij ongeveer niets fout doen: hij is the good son. Als toeschouwer wekt de houding van Henry's ouders bijzonder veel wrevel op. Driekwart van de film schreeuwt de arme Mark voor begrip, maar Henry weet het pleit altijd in zijn voordeel te beslechten.
De climax laat dan ook te lang op zich wachten en wordt te traag opgebouwd. Er komt pas echt spanning in de zaak, als je net iets te veel op je horloge hebt gekeken. Eenmaal de bal aan het rollen gaat en de kansen tussen Mark en Henry aan het keren zijn, stort de film zich echter in een denderende finale, die veel goedmaakt. Joseph Ruben laat alle opgekropte spanning van het eerste uur plots openspatten in een slotstuk dat absoluut de moeite waard is om zien.
Van Macauly Culkin dus geen slecht woord. Hij komt als de ziekelijke Henry goed uit te verf, al krijgt hij wel weinig kans om zijn figuur enige diepgang te geven. Daar komt Elijah Wood (kent u wellicht uit Forever Young) als de zeemzoete Mark overigens ook niet toe. Macauly's zusje maakt in deze film haar debuut, doet dat vrij kleurloos en dus zoals het hoort.
De locaties waar dit duivelse verhaal zich langzaam maar zeker ontwikkelt, zijn overigens adembenemend. Op indringende muziek van Elmer Bernstein (o.a. Cape Fear) gaat het van de doodse Nevada-woenstijn tot het schitterende Minnesota.
De off screen-stem van Elijah vertelt een heerlijk ouderwetse epiloog, die zonder twijfel een rilling over je rug laat kruipen. Als toeschouwer verlaat je de zaal dan ook met een merkwaardig gevoel in de maagstreek. Misschien is het angst.