THE HUDSUCKER PROXY

Je weet wel, voor kinderen

De gevierde gebroeders Coen, Joel en Ethan, kregen voor hun nieuwste project van de filmbazen in Hollywood een flinke portie poen toegeschoven. Het resultaat is navenant.

New York, jaren vijftig. De firma Hudsucker Industries boert goed. Het geld stroomt met de tonnen binnen. Tot voorzitter Hudsucker het voor bekeken houdt en uit het venster van zijn kantoor op het 44ste springt. Zijn testament verklaart dat alle aandelen van het bedrijf publiek verkocht moeten worden, en dat ziet de raad van bestuur, onder leiding van Sidney J. Mussburger, niet zitten. De directie smeedt het plannetje een oen aan het hoofd van het bedrijf te plaatsen die het bedrijf naar de verdoemenis moet helpen. Op die manier zal de waarde van de aandelen dalen en kan het bedrijf zelf haar aandelen voor een prikje opkopen.

Op dat moment begint Norville Barnes te werken bij Hudsucker Industries, in de mailroom, de alleronderste trede van de sociale ladder. Hij wordt meteen opgezadeld met een klus die niemand anders wil. Hij moet een blauwe brief, een dringende boodschap die meestal slecht nieuws bevat, bij Mussburger gaan bezorgen. En dan gebeurt het onvermijdelijke: Mussburger benoemt Barnes als nieuwste president van het bedrijf.

In het begin loopt alles gesmeerd: de aandelen schieten naar beneden tegen de snelheid van het licht. Barnes krijgt bovendien af te rekenen met journaliste Amy Archer, die zich voordoet als een onschuldig dorpsgenootje van Barnes, om aldus te achterhalen waarom een sul als hij nu eigenlijk tot algemeen directeur is benoemd.

Maar dan gaat het tij keren. Barnes' uitvinding, de hoepel, je weet wel, voor kinderen, slaat in als een bom en gooit roet in het eten van Mussburger. Tot overmaat van ramp wordt Archer, in plaats van schandalen over Barnes aan het licht te brengen, op hem verliefd.

De eerste helft van The Hudsucker Proxy raast als een sneltrein voorbij. De beelden flitsen voorbij, er is zoveel te zien dat het oog onmogelijk alles kan verwerken. Een erg bewogen regie met veel erg korte scenes, vreemde camerastandpunten en bewegende camera's. En dat geldt ook voor de dialogen: flitsend en snel, en one-liners bij de vleet.

Na een uurtje begint het allemaal wat minder te boeien. Het nieuwe en ongewone is er vanaf, en de Coen's slagen er ook niet in de snelheid waarmee de film begint vol te houden (vandaar dat plusje in plaats van een vierde sterretje). Gelukkig maakt het einde van de prent weer een en ander goed. Een erg ongewoon en boeiend slot.

Wat de Art Direction betreft, ofwel de 'look' van de film, die zou je kunnen vergelijken met een Dick Tracy of een Batman. Erg gotische, comic-achtige decors. De skyline van New York, de kelder van het Hudsucker-gebouw, het mechanisme van de klok: allemaal erg gotische ontwerpen. Die decors passen uitstekend in de film. Ze scheppen een erg surrealistische sfeer en dat in een film die baadt in het surrealisme.

De karakters van de film zijn karikaturen van de zuiverste soort. Ze hebben misschien niet veel diepgang maar dat hoeft ook niet. Ze komen rechtstreeks uit een comic gestapt: de geldzuchtige chairman van Hudsucker, de kluns die door geld en succes zelf een arrogante etter wordt, de sluwe snel-pratende journaliste die aanpapt met Barnes. Pure stripfiguren, ook weer heerlijk surrealistisch.

De film straalt bovendien een magische, sprookjesachtige kerstsfeer uit. Het verhaal wordt, zoals het hoort in kerstfilms, verteld als een flashback door een karakter in de film zelf. Het is winter in New York, en een snuifje magie is nooit ver uit de buurt. Wat dat betreft doet deze prent wel af toe denken aan kerstfilms zoals Scrooged. Alleen is Proxy veel en veel beter. Prima special effects, trouwens. Zeer sprookjesachtig, en eens wat anders dan het lazer- en computergeweld van de voorbije jaren.

The Hudsucker Proxy is ook een erg grappige film. Typische knarsende, soms vrijwel absurde, Coen-humor. In het begin van de film is het vooral het onmenselijke van het Hudsucker bedrijf dat op de lachspieren werkt, de blauwe brief-toestanden en dergelijke. Het smoelwerk van Tim Robbins als naieve plattelandsjongen is ook meer dan eens hilarisch. Het feit dat ene Sam Raimi (regisseur van de Evil Dead-films en Darkman) mee het script heeft gepend, zegt waarschijnlijk al genoeg.

En zo zijn we bij de acteerprestaties beland. Tim Robbins steelt de show. Hij is voortreffelijk als Barnes, de marionet van Mussburger, die te dom is om te beseffen dat het met hem is dat iedereen lacht. Bovendien ondergaat hij een erg geloofwaardige metamorfose wanneer zijn uitvinding een hit wordt en hij plots even arrogant wordt als alle andere kaderleden. Het opmerkelijk personage Amy Archer wordt vertolkt door Jennifer Jason Leigh. Ze doet dit vrij goed maar ze heeft af en toe last van overacting. Het kan natuurlijk niet makkelijk zijn, een snelpratend manwijf met een verschrikkelijk accent te spelen. Ze doet haar best. Paul Newman tenslotte speelt Mussburger, de mentor van Barnes die zich uiteindelijk tegen zijn schepping keert. Perfect gecast om een onderkoelde en emotieloze schurk te spelen, recht uit een Amerikaans stripverhaal.

Deze film straalt iets sprookjesachtigs en surrealistisch uit dat eigenlijk nergens mee vergeleken kan worden. Karakters en decors uit Dick Tracy, de magie uit Scrooged, nog enkele invloeden uit typische jaren '30 films en daarbovenop de knarsende stijl van de broertjes Coen. Een heerlijke, unieke mix. Doe daar nog dan nog enkele rake acteerprestaties bovenop en ziehier de ideale film om eens lekker alle wereldse problemen te doen ergeten. Zo horen films gemaakt te worden. Ideaal escapisme.