MANNEKEN PIS

Een ster die eeuwig schijnt

Een debuut langs de grote poort: dat is het minste wat je van Manneken Pis, de eersteling van Frank Van Passel, kunt zeggen. Sprookjesachtige lyriek om eindeloos bij weg te dromen.

Frank Van Passel is natuurlijk niet zomaar uit de lucht komen vallen. Flitsen van zijn onmiskenbaar filmtalent strooide hij al kwistig rond met drie korte films (Geur van regen, Ti Amo en Smeerlappen) en hij opereerde meerdere malen in de schaduw van Marc Didden en Stijn Coninx. Manneken Pis, Van Passels eerste werk van lange adem, opent met een ijzersterke retro-proloog, die typerend is voor de rest van de film: sober en toch dromerig, doeltreffend zonder pathos, veelzeggend in al zijn eenvoud. Op de tonen van Noordkaaps bezwerende 'Ik hou van u' zien we hoe een familie met hun nieuwe wagen een ritje door de schijnbaar zorgeloze golden sixties maakt.

De integere jongen achteraan in de wagen leren we enkele ogenblikken later kennen als Harry (meesterlijke rol van Frank Vercruyssen), een punkerige en kaalhoofdige twintiger die verzeild is geraakt in Brussel. Op de tram vraagt hij de bestuurster (op niveau acterende Antje De Boeck) naar de Boterstraat, waar hij logies hoopt te vinden. Hij heeft geluk: een vrouw van zeventig heeft juist zelfmoord gepleegd en hij kan haar studio betrekken. Ondertussen is het al lang duidelijk dat tussen Harry en de trambestuurster, Jeanne heet ze, de liefdesvonk is overgeslagen. Het toeval wil dat zij in hetzelfde appartement verblijft, waar de bazige Denise de scepter zwaait. Eerst ziet zij de relatie tussen Harry en Jeanne niet zitten, maar al vrij vlug draait ze bij.

Dat appartment in de Boterstraat is een huzarenstukje van sfeerschepping. De balkons kraken angstaanjagend, de lift zoemt als een onheilspellende doodskist de hoogte in en het interieur straalt onmiskenbaar iets melancholisch uit. Zwartgalligheid vreet ook aan Denise, die zich overeind probeert te houden met geïdealiseerde herinneringen aan haar tijdens de tweede wereldoorlog verongelukte vriend. Ondertussen groeien Harry, die een job heeft gevonden als bordenwasser in een walgelijk restaurant, en Jeanne naar elkaar toe, elk op hun eigen tempo. Harry's gesloten karakter wordt op een magistrale manier ontrafeld in de balkonscène, waarin hij vertelt hoe hij tijdens een autorit zijn ouders en broer verloor.

De laatste woorden die zijn moeder tegen hem zei waren: 'ik hou van u.' Sinds die dag heeft Harry die woorden niet meer over de lippen gekregen. En wie ze tegen hem zegt, kan de waarheid niet spreken. Nog zo'n dramatisch hoogtepunt vormt het strandtafereel, waar de sfeer plots overhelt naar het magisch-realistische. Jeanne verklaart dat ze van hem houdt. Harry kan niet anders antwoorden dan: 'ik ken dat woord niet.' Hij weet dat hij nooit echt zal kunnen liefhebben. Is er dan geen enkele hoop te bespeuren in dit poëtische sprookjesverhaal? De laatste woorden van de film suggereren een antwoord. Als een ster sterft, blijft ze toch schijnen... Zo zal het ook met deze film zijn.