MAX

Dirty Dancing

Gediplomeerd bekkentrekker Jacques Vermeire is in ons Belgenlandje een heuse rising star aan het worden. Na verschijningen op televisie en zijn populaire zaalshows is er nu het logische vervolg: een langspeelfilm.

In zijn debuut speelt Vermeire de titelrol. Max De Keukeleire is een al wat ouder wordende weduwnaar die met vader en dochter woont boven een wat slordig uitziende winkel, een familiezaak in bekers en trofeeën. De zaken willen echter niet vlotten want Max heeft evenveel verstand van de verkoop als een gemiddelde koe van gevels schilderen.

De danslessen die hij elke week volgt ziet hij dan ook als een leuk verzetje. Helaas is het met zijn artistieke kwaliteiten even erg gesteld als met zijn commercieel temperament: huilen met de pet op. Dus laat zijn leraar hem dan maar dansen met een kapstok. Met het oog op het nakende kampioenschap is dit echter geen leuk vooruitzicht en Max gaat op zoek naar een partner. Door een stom toeval komt hij in contact met Annie, een gewezen striptease-danseres die op de vlucht is voor haar minnaar. Hun eerste contact is niet wat je noemt succesvol, maar langzamerhand groeit er iets moois tussen hen. De ex-minnaar van Annie is echter niet van plan om dit alles zomaar te laten gebeuren en tussendoor krijgt Max ook nog af te rekenen met zijn opgroeiende dochter.

Vermeire is niet de eerste Vlaamse komiek die voor de filmbusiness kiest. Eerder ruilden ook al Urbanus, Gaston Berghmans en wijlen Leo Martin met wisselend succes de planken voor het witte doek. Al hun films hadden één gemeenschappelijk punt: het verhaal was ondergeschikt aan de humor. Voor deze prent hebben de producers het over een love-story, maar dat lijkt ons een al te goedkoop excuus om het hierboven aangehaalde argument te verdoezelen. Nochthans is het met de humor in Max niet zo slecht gesteld. Bepaalde scènes komen weliswaar te geforceerd over, maar telkens als de film wat aan kracht lijkt te verliezen, maakt Vermeire dankbaar gebruik van zijn ultieme wapen dat altijd werkt: zijn mimiek. Eén grimas zoals we van hem kennen is ruim voldoende om de zaak weer op rolletjes te doen lopen.

Met de kinnebak van Vermeire in het achterhoofd zouden we haast nog vergeten dat er nog andere medespelers zijn. Na honderd keer Bompa komt het vreemd over om Luc Philips nog eens behoorlijk Nederlans te horen spreken. Greet Rouffaer en Ianca Fleerackers, bekend uit respectievelijk Wittekerke en Niet voor Publikatie vullen elkaar goed aan, maar zetten zeker geen onsterfelijke rollen neer.

Zoals het elke goede Vlaamse film betaamt, zijn er ook in Max weer talloze gastrollen van bekende Vlamingen en de kijker zal dan ook zonder enige moeite Urbanus, Paul Van Himst, Jean-Marie Pfaff en nog andere gezichten herkennen.

De prent is zeker niet volmaakt en vrij van kinderziektes. Als debuut was Hector enkele jaren terug iets spontaner, maar geen haan die daar naar zal kraaien. Vermeire maakt zijn reputatie van komiek ook op het witte doek waar en hij kan bijgevolg gerust zijn: het publiek zal komen.