Het gegeven is genoegzaam bekend. Een alleenstaande, aantrekkelijke vrouw ontmoet een mysterieuze, gespierde man. Ze duiken halsoverkop in bed, er gebeurt een moord, beide tortels elkaar beginnen te wantrouwen. En in negen van de tien gevallen is de vrouw een psychiater natuurlijk. In dit geval is het Rebecca De Mornay die Sarah Taylor speelt. Zij is bezig met de analyse van massamoordenaar Max (Harry Dean Stanton), die beweert aan MPD te leiden, Multiple Personality Disorder.
Op een dag ontmoet Sarah in een winkel Tony Ramirez (Antonio Banderas). Ze zwicht voor zijn charmes en niet minder voor zijn indrukwekkende tatoeages, gespierde karkas en monumentale tweewieler. Ze beginnen een passionele liefdesrelatie, die abrupt wordt afgebroken, wanneer Sarah een pakje met verwelke bloemen krijgt, haar kat vermoord vindt, haar eigen doodsbericht in de krant leest en rakelings aan de dood ontsnapt. Tony is natuurlijk de verdachte nummer één, maar er is ook de massamoordenaar Max, die wegens gebrek aan bewijzen is vrijgelaten. Ook Sarahs vader duikt plots weer op en via flash- backs komen we te weten dat hij Sarah vroeger heeft misbruikt. En er is de flatgenoot Dennis Miller (Cliff Raddison), die verliefd is op Sarah maar steeds lik op stuk krijgt.
Jammergenoeg kan Never Talk to Stranger nooit echt boeien. Waarom Antonio Banderas momenteel furore maakt in Hollywoodkringen, valt alvast niet op te maken uit zijn Tony-karakter, dat een vat vol tegenstrijdigheden is. Rebecca De Mornay's toegevoegde waarde is het vermelden niet waard. Veteraan Peter Hall regisseert inspiratieloos en dat maarliefst vier mensen met het scenario klungelden, levert een even onmogelijk als verrassend einde op.