Kansas City is niet zomaar een film als dertien uit een dozijn voor Altman. Nee, het is een film over zijn geboortestad, over jazz ('Music is a reason not to die!') en de broeierige jaren dertig. Vervlogen jeugdsentimenten, zo te zeggen. Maar op je 71ste mag je al eens nostalgisch worden. Zeker als je Altman heet en vooral ook als dat uiteindelijk resulteert in een gitzwarte parel voor het witte doek.
In Kansas City vertelt Altman het bedrukkende verhaal van Blondie O'Hara (Jennifer Jason Leigh), een vrouw die zonder reserve bemint. Het object van toewijding, haar man Johnny, krijgt het minder lumineuze idee een zwarte gokker te beroven. Dat had hij beter niet gedaan want in no-time wordt hij bij de kraag gevat door de zwarte gangsterbeweging.
Blondie, even wanhopig als vastbesloten haar man terug te krijgen, kidnapt dan maar Carolyn Stilton (Miranda Richardson), de vrouw van een vooraanstaand politicus. Die zou ervoor moeten zorgen dat haar Johnny terug op vrije voet komt. En hier wordt het interessant. De twee vrouwen zijn namelijk zowat elkaars tegenpool. Blondie barst bijna uit haar voegen van passie terwijl de apathische en aan kalmeermiddelen verslaafde Carolyn de betekenis van het woord zelfs niet schijnt te kennen. Slechts één zaak hebben ze gemeenschappellijk: ze zijn allebei gevaarlijk... levensgevaarlijk. Maar dat wordt bij de huiveringwekkende climax van de prent wel duidelijk.
De film wasemt duidelijk een Altman-sfeertje uit en is af en toe zodanig duister dat je er ongemakkelijk van wordt. Ondanks lange wachtmomenten slaagt Altman erin je te betoveren met een verhaal dat gelijktijdig traag en afwisselend is, humoristisch en beklemmend. De conversaties zijn smakelijk en de juiste sfeer is er! Ook de muziek is op een onnavolgbaar fascinerende wijze met het verhaal en de personages verbonden. De verhaallijn is als een geïmproviseerde jam-sessie, eenvoudig en vrij. Elk personage speelt zijn eigen solo.
Jennifer Jason Leigh geeft een overtuigende interpretatie van Blondie ten goede, maar we zijn niet anders van haar gewoon. Ze is nu eenmaal een crack in grimmige conversaties en getormenteerde gelaatsuitdrukkingen. In deze film komt ze dan ook weer bijzonder goed aan haar (gelaats)trekken. Ook niet te versmaden: de prestaties van Richardson (Empire Of The Sun, The Crying Game) en Harry Belafonte als de baas van het zwarte gangstersclubje.
Of Altman ook deze maal weer zijn smoking mag aantrekken in Cannes valt af te wachten. Als de juryleden van jazz houden en geen boodschap hebben aan melig Hollywoodgeluk zit de kans er wel in.