In vergelijking met La vie sexuelle des Belges kan men Camping Cosmos even goed omschrijven als La vie culturelle des Belges. In het midden van de jaren '80 speelt Bucquoy (nog steeds Jean-Henri Compere) op deze camping te Westende de culturele animator, die naast het hele universum aan Belgitudes (frieten, seks, voetbal) welke de campinggangers rijk zijn, ook nog Cultuur met een grote C tracht bij te brengen aan deze mensen. Maar wat blijkt... Bertolt Brecht of Dadaistisch theater zijn niet echt spek voor de bek van het campingvolkje. Uiteindelijk gooit hij het over een andere boeg. Brood en spelen (de bokswedstrijd De Kerpel versus Coopmans) maken het voor hem mogelijk zijn uiterst links gedachtengoed aan de man te brengen.
Wat dit filmevenement zo ontoegankelijk en deels zo humoristisch maakt, is dat tussen de surrealistische collage van enkele kusttoeristen op de camping door, subtiele artistieke boodschappen (L'Art est mort Vive l'art, maar ook Les irs sont reels en de Magritte-achtige verwijzing naar het Dadaistische pissijn van Duchamps met de woorden Ceci n'est pas un objet d' art) en linkse randbemerkingen op de maatschappij in het algemeen en op de Belgitudes in het bijzonder worden gespuid. Bucquoy verspringt bij het geven van deze kritiek pijlsnel van het ene personage naar het andere waardoor de kijker meer dan aandachtig moet zijn. Dat in tegenstelling tot het eerste deel van wat een trilogie moet worden. Eveneens vervelend zijn de momenten waarop je als kijker het gevoel overvalt een buitenstaander te zijn. Sommige shots lijken eerder een therapeutische werking te hebben voor de regisseur alleen ofwel kunnen ze slechts gevat worden door de bekritiseerde partij.
En dan zijn er nog de cameos. Sommige figuren zeggen iets (Marcel van Tilt als scheidsrechter in de bokswedstrijd en Jan Decleir als homo die zijn vriend komt opzoeken), anderen zijn hun tong kwijt (Herman Brusselmans als Hell's Angel) of kunnen slechts de belachelijke woorden Un, deux, trois, houla, houp uitstoten (Arno als redder). Verder kun je wel even grijnzen met Le pede de Laken en de lustverwekkende sprookjes de la Reine Fabiola (version Opus Dei). Last but not least krijgen we natuurlijk de dikke tetten (om in de vocabulaire te blijven van de overige filmcritici) die uiteindelijk na veel omzwervingen klaarkomen bij een lustige vertelling uit een Kuifjesstrip. Kuifje zelf speelt trouwens ook mee... maar deze versie moet u zelf gaan bekijken.