THE MUMMY

Omzwachtelde griezel

Foto: UIP
Hollywood braakt zichzelf uit. Nadat zowel Dracula, Frankenstein als de weerwolf grondig werden herkauwd, mag nu ook The Mummy zijn sarcofaag openen. En zoals we onderhand al wel gewoon zijn, gebeurt dat met bombast, een groot budget en heel veel speciale effecten.

Het heeft nogal wat voeten in de aarde gehad voor de nieuwe Mummy-film er kwam. Het roemrijke Universal liet onder meer George Romero (die van een lowbudget-versie zonder computereffecten droomde), Clive Barker, Joe Dante en John Sayles hun concept voorleggen. Vooral Romero en Barker kwamen dicht bij een verfilming, maar uiteindelijk lustte Universal hun ding niet: Romero bleef maar uitbazuinen dat hij niks méér nodig had dan wat zwachtels en een goede belichting en Barkers hersenspinsels waren werkelijk té griezelig om een groot publiek aan te spreken. Universal zocht naar iets anders: een Indiana Jones-achtige avonturenfilm, gekruid met een herkenbaar liefdesverhaal, een grote dosis humor en als cement tussen de stenen een laag indrukwekkende computereffecten. Dan was de keuze snel gemaakt: rookie Stephen Somers had met Deep Rising net bewezen dat hij de spreuk van die toverformule hanteert.

En dus krijgen we als resultaat een horrorfilm die teveel omzwachteld is om echt griezelig te zijn en een avonturenfilm die teveel losse ledematen heeft om lekker ontspannend te zijn: het is een mengeling waar we persoonlijk niet echt tevreden mee zijn, maar voor de Amerikanen werkte ze wel, want The Mummy werd aan de andere kant van de oceaan een groot succes. Kan het hun veel schelen dat het origineel uit 1932 (met Boris Karloff als mummie) door de romantiek en humor volledig werd verminkt. En wie weet had Romero dan toch gelijk: een mummie is en blijft een met linnen doeken omzwachteld lijk (zoals make-up legende Jack Pierce deed met Karloff) en niet een wandelende ILM-reclame voor computergegenereerde mega-effecten.

Stephen Sommers mag dan wel bekend staan als een jongensachtige regisseur, de proloog van The Mummy mag er zeker en vast wezen: dit is een staaltje van huiveringwekkende horrorcinema: een ijzige voice over, een reusachtig decor en het verhaal van de verboden liefde tussen de belangrijke hogepriester Imhotep en Anck-Su-Namun, de geliefde van de onaantastbare Farao Seti. Om Anck-Su-Namun voor zich te winnen vermoordt Imhotep de Farao, waarop zijn geliefde prompt zelfmoord pleegt. Imhotep had beter moeten weten: hij wordt tot de verschrikkelijkste aller doden veroordeeld: levende mummificatie. Bovendien wordt er een banvloek uitgesproken: als hij ooit uit zijn sarcofaag verlost wordt, dan zal hij de tien plagen van Egypte ontketenen.

Duizenden jaren later (in 1926 om precies te zijn) komen enkele expeditieleden door een rits aan toevalligheden op het spoor van de bedolven schat van Hamunaptra. Dat zijn de avonturier Rick O'Connell (Brendan Fraser), de omhooggevallen bibliothecaresse Evelyn Carnarvon (Rachel Weisz) en haar onhandige broer (John Hannah). In hun zoektocht moeten ze afrekenen met een rivaliserende Amerikaanse expeditie en Arabische krijgers, die al eeuwenlang het graf van Imhotep bewaken. En ja: door een oude spreuk uit Het Boek van de Doden komt de mummie weer tot leven. Eerst is hij niks meer dan een stel waggelende beenderen, maar naarmate hij zich met slachtoffers kan voeden, neemt hij terug menselijke proporties aan. Zijn doel is om zijn geliefde Anck-Su-Namun weer tot leven te wekken. Eén keer raden welk vrouwelijk personage hij daarvoor uitgekozen heeft.

Zoals gezegd start The Mummy heel erg goed. Maar eens er wordt overgeschakeld naar de twintigste eeuw, maakt de donkere, statische, dreigende toon plaats voor de Schwung van een mislukte Indiana Jones-achtige spektakel- en avonturenfilm. Jazeker, de effecten die de tovenaars van ILM over het witte doek laten waaien (zoals vleesetende scarabeeën, sprinkhanen, levende zandstormen, waggelende skeletten, enzovoort) zijn adembenemend en wellicht onovertroffen in hun genre, maar ze zijn zeker niet altijd even effectief in hun horror. Je hebt immers niet de indruk naar een film te kijken, maar eerder naar een stripverhaal, waarin alle personages karikaturen zijn en je nooit écht gelooft dat hen iets ergs kan overkomen. Getypecaste Brendan Fraser mag als O'Connell dan nog nét de smalle lijn vinden tussen een zekere sérieux en heel veel zelfspot, alle andere personages ontsnappen niet aan hun cartooneske karakters.

Het grootste manco van The Mummy is de humor: die werkt namelijk niet. Deep Rising ging zó over the top dat de snedige dialogen op de lachspieren gingen werken (herinner het compleet hilarische einde), maar de materie van The Mummy is te serieus om mee te spotten. Bovendien zit de romantiek op de verkeerde plaats: terwijl het overduidelijk is dat er tussen O'Connell en Evelyn iets zal groeien, wordt het gruwelijke lot van de mummie volledig genegeerd. Veel méér dan een zoveelste supermonster, is hij in feite een tragische figuur, een droevig slachtoffer van de liefde, op zoek naar eeuwige zielerust. Die zal hij in dit kinderachtig fx-vehikel vermoedelijk niet vinden. In de kantoren van Universal zwoegt men daarenboven al aan aan een sequel, die de arme Mummy naar Londen moet voeren. Een gedachte om stante pede weer je sarcofaag van in te vluchten.

Titel: The Mummy
Genre: Horror-avontuur
Duur: 2u07
Regisseur: Stephen Sommers
Acteurs: Brendan Fraser, Rachel Weisz, Arnold Vosloo, John Hannah