RAINBOW

Kleurloos en onvolwassen

Noem ons gerust een softie of een doetje, maar een goeie kinderfilm laten wij nooit links liggen. Heerlijk: weer even kind zijn, alle problemen vergeten en wegdromen in oneindige fantasie. Met die verwachtingen trokken we ook naar Rainbow, maar we kwamen bedrogen uit.

Akkoord, niet iedereen heet Roald Dahl of Astrid Lindgren. Niet iedereen slaagt erin om avontuur, spanning, emotie en humor op een zodanig onschuldige manier te mixen, dat je zelfs als volwassene gespannen blijft toekijken. Maar een beetje niveau mag elke kinderfilm toch wel hebben, of wil men de cinema-gaande jongeren helemaal naar lawaaierige speelhallen of rokerige mega-café's verbannen? Rainbow, geschreven door Ashley en Robert Sidaway (die het vak leerden bij de World of Hammer-serie) is een verhaal met heel veel potentie. Een schitterend idee, hoopvolle fx en toch volledig de mist in. Je vraagt je af waarom toch.

Hoofdfiguur in Rainbow is de 10-jarige dromer Mike. Hij trekt vooral op met zijn rare goochelaar-grootvader die hem allerlei trucs leert en wijsmaakt dat de magie echt bestaat. Dit tot grote ergernis van zijn liefhebbende, maar bezorgde, moeder. Op een dag, na een hevige storm, ziet Mike een regenboog en op de plaats waar die neerkwam een enorme krater. Samen met zijn vrienden Tissy en Pete en zijn drie jaar oudere broer Steve onderzoekt hij de aarde, waar inderdaad iets speciaals mee aan de hand blijkt te zijn. Met behulp van zelfgemaakte meetinstrumenten en de schoolcomputer berekenen ze waar en wanneer de volgende regenboog zal verschijnen. Hun opzet slaagt en ze rijden op hun fietsen naar de regenboog, die hen opslorpt.

Wat aan deze film ontbreekt is continuïteit, een duur woord voor: samenhang, evenwicht. Het laatste kwart van de film, als de kleuren letterlijk uit de wereld verdwijnen, verraadt een werkelijk schitterende fotografie. Daar tekende overigens Freddie Francis voor, die al tweemaal met een oscar bekroond werd voor zijn werk in The Elephant Man en Cape Fear. Daartegenover staan echter werkelijk stupide scènes. Neem nu Dan Aykroyd (Ghostbusters, The Coneheads) als sheriff. Geen haar op ons hoofd die eraan denkt dat kinderen hem echt grappig zullen vinden. Zelfs Bob Hoskins weet als grootvader niet de nodige bezieling op te brengen. Willen maar niet kunnen, daar lijkt het meestal op.

Als regisseur (hij maakte in 1988 zijn regiedebuut met The Raggedy Rawney, een rauwe prent over een troep zigeuners in Nazi-Duitsland) trapt Hoskins bovendien nog eens in een val die zelfs beginnelingen niet meer maken: overdreven gemoraliseer verpest deze prent. Het motto van deze film luidt: don't dream the dream, be the dream. Dat zal aardiger lukken bij een goed jeugdboek, dan bij het bekijken van deze film. Jammer maar helaas.