DE DIGITALE REVOLUTIE

Is er leven na pellicule?

'Please enjoy tomorrow, right now.' Met deze gevleugelde woorden liet Phil Barlow van Disney afgelopen week een glimp van de toekomst zien aan de verzamelde pers. Die was in grote getale afgezakt naar het Brusselse Kinepoliscomplex om er het digitale filmprojectiesysteem van Texas Instruments aan het werk te zien tijdens een vertoning van Toy Story 2.

Daarmee is Kinepolis één van de vijf gelukkige Europese proefkonijnen van Disney, Texas Instruments en Technicolor in hun queeste om de iets meer dan honderd jaar oude filmprojectiemethode onder de digitale hakbijl te leggen. Kinepolis toont enkel een Frans ingesproken versie van Toy Story 2, volgens de eerste berichtgeving wegens technische problemen met ondertiteling, iets wat tijdens de persconferentie werd tegengesproken. Blijkbaar wilde Kinepolis als toonaangevend megacomplex-bouwer niet achterblijven, en besloot het wachten op een ondertiteling over te slaan.

De top van Kinepolis en de aanwezige gasten van Disney en Texas Instruments (TI) waren duidelijk in hun nopjes met de scoop. Geheel terecht trouwens, want wat er uit de digitale projector kwam, was bijzonder indrukwekkend. Een mijlpaal in de honderd jaar oude geschiedenis van de cinema. Maar dan wel een mijlpaal in testfaze, want het systeem dat TI dat in Brussel heeft geïnstalleerd is een prototype. Het DLP-systeem (Digital Light Processing) werd afgelopen jaar op het publiek losgelaten met digitale versies van The Phantom Menace, Tarzan en Bicentennial Man, films die nog op gewone pellicule werden opgenomen, en dus speciaal moesten ingescand worden om digitaal bewaard te kunnen worden. Toy Story 2 werd volledig in de computer gemaakt, en kon de stap naar pellicule dus overslaan.

Eenmaal de beelden zijn ingescand, worden ze voorlopig op DVD RAM's gestockeerd om later naar de harde schijf van het DLP-systeem overgepompt te worden. In het geval van Toy Story 2 gaat het om een bescheiden 40 GB aan gegevens. De film werd hiervoor gecomprimeerd met een ratio van 12 op 1 (het DV videoformaat werkt met een compressie van 5 op 1). Tijdens de projectie sturen de gegevens drie Digital Micromirror Devices (DMD) aan, halfgeleiders ter grootte van een dia. Op elke DMD (één voor elk van de primaire kleuren, rood, groen en blauw) zijn 1,3 miljoen microscopisch kleine spiegeltjes aangebracht die in een aan- of uitpositie kunnen kantelen. Elke spiegel zorgt, samen met de overeenkomstige spiegels op de twee andere DMD's, voor een pixel op het scherm. Door de spiegels aan een razend tempo te laten bewegen (meer dan 1000 maal per seconde) kan de hoeveelheid licht dat door die spiegel wordt doorgelaten geregeld worden, en kan het resulterend kleur op het scherm bepaald worden. Het systeem dat voor de klassieke en dus reeds aanwezige lamp wordt geplaatst zorgt voor een betere lichtverdeling over het volledige scherm.

Op het scherm resulteert dit hoogtechnologisch wonder zich in een beeld van 1280 op 1024 pixels, een op het eerste gezicht relatief lage resolutie. Het is dan ook verbluffend dat ook op een reuzengroot scherm van deze pixels geen spoor terug te vinden is. Het beeld van Toy Story 2 stond haarscherp te pronken, mede dankzij het hoge contrast, de hoge kleurdiepte (14 bits per kleur) en de uniforme lichtverdeling. Heel opmerkelijk is ook dat het beeld rotsvast op het scherm staat, iets wat met traditionele pellicule onmogelijk is wegens de minuscule beweging in de projector. Ook geheel afwezig is de filmkorrel, iets wat heel goed te zien is bij normale projecties wanneer je even naar een egaal vlak op het scherm staart en ruis ziet. Bij Toy Story 2 is die afwezigheid omwille van zijn digitale oorsprong natuurlijk logisch. De korrel die in traditioneel opgenomen films aanwezig is zal natuurlijk ook in de gedigitaliseerde versies aanwezig zijn, tot men ook daar alles zuiver digitaal gaat filmen. De tijd dat men aan computergegenereerde effecten zelf filmkorrel toevoegde om de integratie met het gewoon beeld naadloos te maken zal dan tot het verleden behoren.

Digitale projectie staat echter nog in de kinderschoenen, en veel vragen omtrent het medium zijn dan ook nog antwoordloos. Wie gaat de nieuwe apparatuur betalen? Eens de beelden via satelliet naar de bioscoop zullen gezonden worden, wie gaat dan de beslissingen nog nemen? De filmuitbater, of de studiobazen in Hollywood? Maar er zijn ook heel veel voordelen die nu al duidelijk zijn. Zo blijft de projectie steeds feilloos, want krassen en breuken kunnen de copy niet meer beschadigen. De taal of ondertiteling kan (indien aanwezig natuurlijk) on the fly gewijzigd worden, interactieve films zouden wel eens de kop kunnen opsteken, advertenties voor de film kunnen beter afgestemd worden op het publiek, en natuurlijk kunnen ook andere programma's zoals grote sportmanifestaties uitgezonden worden.

De vraag is natuurlijk wanneer dit allemaal werkelijkheid gaat worden vermits men nog steeds in een experimentele faze zit. Voorspellingen variëren van twee tot vijf jaar, maar algemeen wordt aangenomen dat de nieuwe Star Wars-film in 2001 wel eens een boost zou kunnen geven vermits George Lucas al aangekondigd heeft dat hij de film volledig digitaal wil gaan filmen. En wanneer de Hollywood-bazen beseffen dat ze maar liefst 750 miljoen dollar per jaar aan copy- en verzendingskosten kunnen uitsparen door pellicule de deur te wijzen...

Het is echter niet allemaal goud wat blinkt. Texas Instruments mag dan nog de toonaangevende industrieleider zijn op dit relatief nieuwe gebied (al zijn ze niet van plan om zelf projectoren te maken, ze zorgen enkel voor de technologie), er zijn nog een aantal kapers op de kust. JVC en Hughes bijvoorbeeld brachten al het Hughes-JVC ILA-12K systeem commercieel op de markt, en projecteerden ook al The Phantom Menace en An Ideal Husband. Ook op compressiegebied bestaan heel wat standaarden, en na het beruchte debâcle tussen VHS en Beta (waarbij het inferieure VHS won omdat er naar verluidt meer porno op beschikbaar was) is niemand nog geïnteresseerd in een peperdure standaarden-oorlog. Verwacht wordt dat de SMPTE (Society of Motion Pictures and Television Engineers) standaarden gaat bepalen, terwijl Lucas's THX-afdeling in analogie met hun geluidssysteem-keurmerk ook voor digitale projecties kwaliteits-specificaties gaat opstellen.

Heel wat filmmakers bekijken de digitale revolutie met argusogen. Velen zijn opgegroeid met film, en houden van de typische filmlook, iets wat volgens hen digitaal niet te benaderen valt. In diverse conferenties die begin dit jaar in Hollywood werden georganiseerd, lieten ze hun zorgen blijken. Velen zijn bang dat het medium in een blockbusterbanaliteit zal wegglijden, vermits daar juist het geld zit waarmee de laatste technische snufjes kunnen gebruikt worden om de meest ongelooflijke zaken op het scherm te toveren. Aan de andere kant zorgt de digitale revolutie er natuurlijk wel voor dat filmmakers met een relatief goedkope DV-camera een film kunnen maken, al dan niet volgens het Dogma 95 principe, en die eventueel via alternatieve distributiekanalen zoals het internet op de wereld kunnen loslaten. Want digitale snufjes zijn uiteindelijk maar een hulpmiddel om een verhaal te vertellen, iets wat veel filmmakers jammer genoeg vergeten, vaak tot groot jolijt van de kijker die blijkbaar wel bereid is om geld te geven voor zuiver commercieel filmgeweld.

Vermits de technologie stukken ingewikkelder is dan een gewone filmprojector zijn filmmakers ook bang dat de mensen in de projectieruimte niet voldoende opgeleid zullen zijn om eventuele problemen op te lossen. Erger nog, het door de Director of Cinematography nauwkeurig kleurgecorrigeerd beeld kan in een RGB gebaseerd systeem bij een projectie naar willekeur bijgeregeld worden door een technicus, net zoals de geluidssterkte door de bioskoopmedewerkers, en niet door de filmmakers wordt bepaald.

Heel wat filmmakers zijn dus niet zo gelukkig met de digitale revolutie, en het is dan ook niet te verwonderen dat er vanuit hun kamp naar pellicule-gebaseerde alternatieven wordt gezocht voor betere beeldkwaliteit. Dat gebeurt voornamelijk door ervoor te zorgen dat het origineel beeldnegatief groter wordt. Want hoe groter dat negatief, hoe meer informatie er aanwezig is in het beeld en hoe minder men het beeld naar het scherm toe moet vergroten. Met een opmerkelijke kwaliteitswinst tot gevolg.

De beroemde Director of Photography Vittorio Storaro wil met zijn Univisium-systeem spaarzamer omspringen met pellicule, en tegelijkertijd ook een nieuwe aspect ratio voorstellen van 2:1. Picking Up the Pieces van Alfonso Arau zal trouwens met dit nieuwe procédé gefilmd worden. Het MultiVision 235 systeem wil dan weer aan filmmakers met een beperkt budget een oplossing bieden om met Super 16 ook in breedbeeld te filmen en tegelijkertijd ook de hoeveelheid gebruikte film te halveren door de beelden op de pellicule dichter bij elkaar te plaatsen en zo de anders verloren ruimte nuttig te gebruiken.

De grootste innovatie is echter het MaxiVision48 systeem van Dean Goodhill. In dit systeem wordt de 35mm pellicule nuttiger gebruikt door ondermeer de plaats van het analoog geluidsspoor mee in beslag te nemen. Dat geluidsspoor dient in moderne systemen trouwens enkel als backup-systeem voor het geval het digitaal geluidssysteem (op CD, en via een synchronisatiespoor op de pellicule gelinkt met de film) zou uitvallen. Ook de nutteloze plaats tussen de beelden wordt geminimaliseerd waardoor meer beelden per meter op de pellicule kunnen worden belicht. Dit systeem kan gebruikt worden aan de traditionele 24 beelden per seconde, maar er is ook een 48 beelden per seconde versie ontwikkeld. De 24 beeldenstandaard werd in 1929 vastgelegd omdat het de minimumsnelheid was die nodig was om een aanvaardbaar geluidsspoor te krijgen. De 48 beelden per seconde zorgen voor een scherper beeld, rijker aan detail, waarbij ook het strobing probleem van snel bewegende voorwerpen en camerabewegingen voor een groot deel is opgelost. Ook de scherptediepte is naar verluidt opmerkelijk groter. Het systeem kan trouwens ingebouwd worden in traditionele projectiesystemen, al moet er zorg gedragen worden voor een grotere lampsterkte. Om het beeld zo stabiel mogelijk op het scherm te krijgen, voorzien de makers ook een systeem dat de positie van elk beeld voor de lens gaan bekijken en zo nodig gaat corrigeren. Niet te verwonderen dus dat filmcriticus Roger Ebert in de wolken is over het systeem. Martin Scorsese meent dat het MaxiVision systeem de belangrijkste en meest veelbelovende ontwikkeling in filmtechnologie is van de laatste vijftig jaar. Een uitspraak die kan tellen.

Terwijl filmmakers zich blijven vastklampen aan hun geliefde pellicule blijft de digitale revolutie echter doorgaan. De eerste resultaten zijn veelbelovend, niettegenstaande pellicule van nature uit veel meer informatie bevat dan de digitale stroom gegevens. Filmmakers mogen dan wel artistieke argumenten hebben, wanneer zal blijken dat het voor de studio's uiteindelijk goedkoper uitkomt, dan is er geen stoppen meer aan, ook al zou de beeldkwaliteit maar aanvaardbaar zijn. Aan u dus om te gaan zien of de toekomst u zal aanstaan.