Afgelopen september vierde ik de tweede verjaardag van mijn aankomst in Vancouver. Het was een ideaal moment om bij de ontwikkelingen van de laatste twee jaar even stil te staan, en mezelf een aantal existentiële vragen te stellen. Ik was er nog steeds niet uit of het leven al dan niet een illusie was, of ik al dan niet in mijn eigen Truman Show of Matrix verbleef, maar die vraag kwam even op een zijspoor terecht: als mijn leven inderdaad opgezet spel was, iets dat je niet zomaar bewijst, dan kon ik er maar meteen het beste van maken.
Na 24 maanden Vancouver was ik niet langer te gast, maar inmiddels een gastheer, één van de 2 miljoen Vancouverites, trots op hun ademloos mooie stad, maar ook beschaamd om de tekortkomingen. Al 24 maanden lang was elke dag een avontuur, en wat de toekomst ook zou brengen, deze ervaring namen ze me nooit meer af. Een kleine Belg met, zoals de nationale traditie dicteert, een acuut gebrek aan eigenwaarde en zelfvertrouwen, in de grote stad.
Al dwaalde ik na twee jaar nog steeds met de spreekwoordelijke grote ogen en open mond door mijn avontuur, alle nieuwe dingen wennen. Nachtelijke Halloween-processies, monsterachtig grote winkelcentra, 80 televisiekanalen en frieten met ketchup: het was niet langer een uitzondering maar wel de regel, geen ervaring maar een gewoonte. Ik voelde me hier nu thuis, en alle tradities die ik niet zo lang geleden vreemd vond, waren ondertussen mijn tradities geworden. (Het verklaart tevens waarom deze rubriek al zo lang op een laag pitje staat: waar je aan gewend bent, is niet langer interessant om over te schrijven. Hollywood North leeft nog, maar alleen dank zij de inspanningen van enkele gastschrijvers die ik gedurende '99 over de vloer heb gehad, maar dat terzijde).
Het ging me zo slecht niet af: ik kwam tot de conclusie dat ik al twee jaar gelukkig getrouwd was. Mijn lieftallige echtgenote en ik waren nog steeds verkikkerd op elkaar, terwijl om ons heen koppels uit elkaar gingen alsof het een sport was. Het enige aspect dat nog echt voor verbetering vatbaar was, zo drong tot me door, was mijn professioneel leven. Financieel viel er niet te klagen: ons gecombineerd jaarlijks inkomen was op twee jaar tijd verdrievoudigd. Ik was echter niet tevreden met mijn baan als grafisch ontwerper.
Ik had het geluk in Vancouver toe te komen wanneer de lokale filmindustrie zich in een indrukwekkende groeifase bevond. In vroege afleveringen van deze column kakelde ik van puur enthousiasme wanneer B-films als Mr. Magoo en Lake Placid in deze omstreken werden gedraaid. Meer dan twee jaar verder ligt dat kaliber aanzienlijk hoger: tegenwoordig komen Schwarzenegger (The Sixth Day), Stallone (Detox, Get Carter) en Brian De Palma (Mission To Mars) hun nieuwe vehikels in Vancouver inblikken. Er is immers talent te kort, en de kans om vooruit te geraken in deze industrie is hier aanzienlijk groter dan waar ook ter wereld. Daarom dat het woord noodlot meer dan eens door mijn hoofd spookte: het leek wel alsof ik voorbestemd was om naar Vancouver te komen. Een knaap met een passie voor film, begint een nieuw leven in een stad waar precies op dat moment de filmindustrie ontbloesemt. Een vreemd toeval, toch?
In elk geval, sedert mijn aankomst in deze stad droomde ik ervan mijn kans te wagen in haar filmindustrie. De vraag was, hoe doe je dat? Waar begin je? Aanvankelijk flirtte ik met de idee een scenario de schrijven. Ik nam er zelfs een cursus voor. Het werd duidelijk dat dat niet de oplossing was - ik had er de tijd noch de nodige ervaring voor. Andere ideeën kwamen en gingen. Soms dacht ik er maanden lang niet meer aan, maar heel diep in mijn hart was deze potentiële toekomst continu aanwezig. De hoop gaf ik nooit op. Vrouwe Fortuna, zoals ik het noodlot in een voorgaande aflevering noemde, zorgde daarvoor. Zij knipoogde nu en dan naar me, om eraan te herinneren dat mijn kans, mijn moment, op komst was, maar dat ik geduldig moest zijn. Iedere keer ik in contact kwam met de plaatselijke filmindustrie, zag ik het als een dergelijke knipoog: ik stootte bijna dagelijks op filmsets van televisieseries en bioscoopfilms (met als hoogtepunt de opnames voor de Gwyneth Paltrow-film Duets in mijn eigen straat), en af en toe liep ik een celebrity tegen het lijf. Bill Pullman zat naast me in een tapas bar, Jeff Goldblum keek samen met mij naar Lola Rennt, en Tim Robbins en Susan Sarandon luisterden samen met mij naar een concert van Tom Waits. Ik was al twee jaar geduldig geweest. Al twee jaar was ik ervan overtuigd dat mijn kans wel eens in mijn schoot zou vallen. Zoals een kat altijd op haar pootjes terechtkomt.
Maar in september, nog steeds tijdens mijn introspectie-fase, besliste ik na lang ter plaatse trappelen om uit eigen beweging de filmindustrie te betreden. Ik realizeerde me dat wachten op een gouden kans naïef was, en dat als ik iets wilde bereiken, ik daar zelf zou moeten voor zorgen. Ik voelde me echter alsof ik op het punt stond de Mount Everest te beklimmen. Het hele proces schrikte me af. Er stond heel wat te doen, en daarom besloot ik me voor die intimiderende beklimming niet te overhaasten. Meer specifiek, ik zou mijn doel een stapje per keer bereiken. Babysteps. Het werd niet alleen mijn nieuw stopwoord, het werd een levensfilosofie.
Wordt vervolgd.