Rob Coleman is een geboren verteller. Twee jaar geleden reeds wist hij het publiek op het Londen Effects and Animation Festival te vermaken met zijn presentatie over Men In Black, en dit jaar mocht hij een heel legioen ILM artiesten aanvoeren in een unieke, dagvullende presentatie over de effecten van Episode I. Coleman begon in 1993 zijn carrière bij ILM als animator voor The Mask, en werkte er ook nog aan Maverick, Star Trek Generations, Disclosure, In The Mouth of Madness en The Indian in the Cupboard. Het zware werk begon in 1996 toen hij voor het baanbrekende Dragonheart Supervising Character Animator werd. Een jaar later was hij voor Man In Black Animation Supervisor, en kreeg voor deze film een British Academy Award nominatie voor de effecten. Voor Star Wars kreeg hij inmiddels nominaties voor de Academy Awards en de British Academy Awards.
Wanneer we in het sprekerslokaal van het festival samenzitten voor het interview valt op dat hij nog steeds razend enthousiast is over zijn werk, al moet de kritiek op Jar Jar toch wel pijn gedaan hebben. Hij was immers verantwoordelijk voor de animatie van de meer dan 60 digitale karakters, met Jar Jar Binks als hoogtepunt. Gelukkig bracht hij het gevoelig onderwerp zelf aan.
(Zoals uit het interview zal blijken hadden we het zwaar mis met onze oscar-voorspelling. Op naar Episode II dan maar...)
MOVIE: Hoe bent u bij ILM terechtgekomen?
ROB COLEMAN: Ik studeerde traditionele animatie aan de Concordia universiteit in Montreal. Zij zijn geassocieerd met de National Film Board in Canada, een zeer belangrijke, door de overheid geleide studio die documentaires en animaties maakt. Als kind kende ik natuurlijk Disney en Warner Brothers, maar het was vooral The National Filmboard die mij echt heeft geïnspireerd. Ik studeerde af, en toen (ik ben nu een oude kerel) waren er nog geen computers, dus dat kon je nog niet doen. Het tweede jaar dat ik van college kwam kon ik aan een stage beginnen bij Vidmax Synthavision. Zij waren geassocieerd met MAGI Synthavision, de studio die aan Tron had meegewerkt. Ze betaalden mij om hun software te leren en om hen animatietechnieken aan te leren. Het waren allemaal computerwetenschappers, maar ze waren echt geïnteresseerd in film op dat niveau. Toen waren er echter nog geen graphics op het scherm, dus alles moest ingetikt worden, alles was wiskundig, alles werd op papier uitgetekend. Voor mij was het allemaal veel te wiskundig, dus vertrok ik en begon bij The National Film Board. Ze hadden toen een contract binnengehaald om een serie te maken, Captain Power, en hadden ook hun eigen software geschreven waarmee je animatie rechtstreeks op het scherm kon zien. Dat moet zo rond 1986 of 1988 geweest zijn. Ik had er toen geen idee van dat ik één van de eersten was die met computeranimatie bezig was. Fast forward. We werkten daar ongeveer een jaar aan en kregen in Canada een Technical Achievement Award voor het mengen van live-action met animatie. De studio ging echter failliet en ik deed daarna traditioneel werk, cel- en klei-animatie. Maar ik was nog steeds geïnteresseerd om terug naar de computer te gaan. We zijn nu in 92-93 en ik werkte op mezelf in Softimage en Alias. Softimage komt uit Montreal, Alias uit Toronto, ook al uit Canada. Als Canadees dacht ik dus dat de hele wereld met computeranimatie bezig was. Bleek echter dat de wereld juist op zoek was naar specialisten in beide softwarepakketten. In de lente van 1993 kwam Jurassic Park uit, en ik las dat ze de dinosauriërs in Softimage hadden gemaakt. Ik dacht 'Mijn god, ik kan niet geloven dat ze die dinosauriërs gemaakt hebben met dezelfde software die ik gebruik om reclamefilmpjes mee te maken, en ik ben ermee aan het worstelen, en kan er niks fotorealistisch uit krijgen! En zij maken dinosauriërs!.' Ik stuurde mijn cv op en dacht dat ze er ferm gingen mee lachen, maar ze belden me op en zeiden dat ik eens moest langskomen, want ze zochten mensen zoals ik. En ik werd aangenomen, en werk daar dus nog steeds.
MOVIE: Is het voor u een altijd een droom geweest om aan Star Wars te werken?
ROB COLEMAN: Neen, eigenlijk niet. Dat was voor mij een te grote sprong. Voor mij was het altijd een droom geweest om te werken als een animator. Ik wist al heel vroeg dat ik nooit een job bij Disney zou krijgen. Ik kan tekenen, maar niet zo goed als die mannen. Het was altijd mijn droom geweest om voor de Film Board te werken. En ik realiseerde die droom redelijk vlug, maar ze hadden geen geld genoeg om mij voltijds te houden. Dus begon ik te freelancen. Het was eigenlijk mijn vader die in 1981 of zo zei toen Raiders of the Lost Ark uitkwam, 'Wel, misschien werk je ooit wel voor Mr. Lucas'. Ik was dus wel trots toen ik mijn vader uit eten kon nemen, en zeggen dat ik bij ILM aangenomen was.
MOVIE: Ik sprak Hal Hickel twee jaar geleden, en hij zei me dat hij van Pixar naar ILM was verhuisd om aan de nieuwe Star Wars films te kunnen meewerken.
ROB COLEMAN: Hal heeft een brief die hij als kind in 1977 schreef aan George Lucas met daarin hoezeer hij van Star Wars hield. Hij heeft het ingekaderd achter zijn bureau in ILM hangen. Op het einde van de Star Wars productie leidde ik George rond bij alle animatoren, en ik toonde de brief aan hem. En George zette zijn handtekening op de brief (en ik krijg nu kippenvel als ik er terug aan denk) voor Hal. Dat was een prachtig moment voor Hal. Hij is een enorm getallenteerde animator.
MOVIE: Het moet een fantastisch moment zijn als je droom zo kan uitkomen.
ROB COLEMAN: Oh, Ja. Toen ik in 1993 werd aangenomen droomde ik er zelfs niet van dat ik de job zou hebben die ik nu heb. Ik heb enorm veel geluk gehad. Ik werk heel hard, maar ik ben ook op het juiste ogenblik op de juiste plaats geweest, en om Animation Director te zijn voor de eerste Star Wars film is, pfff, veel meer dan ik ooit, ooit had kunnen denken.
MOVIE: Voor Star Wars Episode I had men vier teams, er waren drie Visual Effects Supervisors en u was de Animation Director. U had 45 animatoren onder u, hoe kan je dan alles nog opvolgen?
ROB COLEMAN: Wel, ik had Character Leads voor alle belangrijke karakters. Hal was de verantwoordelijke voor Boss Nass en de rollende robots. Ik kwam dus dagelijks samen met Hal en die 4-5 andere verantwoordelijken om over het werk te praten, en niettegenstaande ik alle animatoren regisseerde, was het hun verantwoordelijkheid om hun teams van 10-15 animatoren op te volgen. Zo wist ik dat elke animator toch ten minste één iemand had waarbij hij om raad kon vragen. Ze konden naar mij komen, maar er was een tussenpersoon, want ik zat continu in vergaderingen, of op de Ranch of ergens anders, en men kon me niet vastkrijgen. Ik had dus tussenpersonen nodig.
MOVIE: Heb je zelf nog tijd gehad om iets te animeren?
ROB COLEMAN: Neen, ik had wel graag gewild.
MOVIE: Ging u niet de wandelende Yoda animeren?
ROB COLEMAN: Ja. Wel mijn eerste idee was dat ik één shot voor elk karakter ging animeren. Maar dat idee verdween al heel snel. En daarna dacht ik aan enkele shots, en daarna enkel Yoda. Want de shots met Yoda uitdelen aan de crew was onmogelijk. Iedereen wilde Yoda doen. Er zijn twee digitale Yoda-shots in de film, en Hal deed daar één van en Linda Bel deed de andere. Linda was de Watto supervisor en Hal de Boss Nass supervisor. (Triestig) En uiteindelijk heb ik dus geen enkel beeld uit de film kunnen animeren...
MOVIE: Da's jammer.
ROB COLEMAN: Ik weet het, ik weet het. Er waren 45 mensen, en ik moest een 8-10 uren werkdag verdelen onder al die mensen, en dan was er nog ander werk. Er was echt geen manier om het gedaan te krijgen.
MOVIE: Als een animator, of een Animation Supervisor, heb u iets te zeggen over wat er in de scène komt? Kan je een beetje van jezelf in de karakters leggen?
ROB COLEMAN: Op beide vragen is het antwoord ja. Voor een Animation Director of Animation Supervisor absoluut. Ik spreek met George over wat hij in de scène wil, en soms weet hij exact wat hij wil, frame na frame. En soms wil hij gewoon dat er iets bepaald gebeurt, en dan komt de Animation Director met de details. Als een animator moedig ik mijn animatoren aan om op de proppen te komen met little bits of business, kleine details in de animatie die de animatie meer tot leven doen komen. En ik kan zeker niet afkomen met elk goed idee, dus het zijn de animatoren die met kleine stukjes humor en actie afkomen. En dat zie je ook op het scherm. Een goed voorbeeld is Jabba The Hutt die naar de race zit te kijken, terwijl er een aantal kalkoenachtige vogels rondwandelen. Eén van de animatoren kwam op het idee om één van die beesten door Jabba van het podium te laten werpen. Dat was mijn idee niet. Ik zag dat in de dailies, en ik viel bijna van mijn stoel van het lachen. En George Lucas vond het fantastisch. Wij hadden er nooit aan gedacht, het was de animator die op het idee kwam. En het zit in de film, en in elke filmzaal waarin ik ben geweest wordt ermee gelachen.
MOVIE: Wiens idee was het om de E.T.'s in de film te smokkelen?
ROB COLEMAN: Oh, van Steven Spielberg. Steven en George zijn heel goede vrienden, en ik denk dat het eens tijdens een etentje ter sprake kwam.
MOVIE: Ik had het de eerste keer niet gezien. Ik denk dat niemand het de eerste keer ziet.
ROB COLEMAN: Inderdaad. Maar heel die kamer is dus computergegenereerd. Het is een ongelooflijke sequentie. En er zitten ergens ook Wookies in.
MOVIE: Heb u zelf een cameo?
ROB COLEMAN: Ik? Ja. Ik sta ergens als een hoogwaardigheidsbekleder achter Jabba in zijn loge bij de race. In het eerste shot waarin Jabba voorkomt sta ik in de achtergrond, en als hij naar voor komt bedekt hij mij. Op het einde van de race is Jabba aan het slapen tot iemand hem wakker maakt, en daarachter loop ik met iemand anders.
MOVIE: Komt George Lucas ergens in de film voor?
ROB COLEMAN: Neen, George zit niet in de film. We probeerden hem erin te krijgen, maar hij wou niet. En we bleven maar zeggen: net zoals Alfred Hitchcock...
MOVIE: Er is al een tijdje sprake van de Digital Backlot, en Episode I is daarvan een enorm voorbeeld. Denk je dat die nieuwe manier van werken veel gaat veranderen?
ROB COLEMAN: Ja, dat denk ik wel ja. Ik denk dat het veel filmmakers zal inspireren, en hen zal bevrijden van de fysische beperkingen. Die stoelen hier rond ons kunnen we vervangen door iets anders. Er zijn mensen die mij zeggen dat ze kunnen zien waar alle effecten in de film zitten, maar dat is volgens mijn onmogelijk. En weet je waarom? Omdat ik zelfs niet weet waar ze allemaal zitten! Er zitten set-extensies in, extra ramen, schilderijen waarvan ik niet wist dat ze digitaal waren. Ik dacht gewoon dat ze daar waren in het paleis in Italië. Maar dat waren ze niet, ze zijn achteraf bijgeschilderd.
MOVIE: Wel, iedereen is maar over de computer graphics bezig en toen ik voor het eerst de scène zag met al die mensen in het stadium... ik dacht dat dat allemaal computergegenereerd was. Maar later las ik dat het een model van een stadium is, en dat de mensen gewoon gekleurde oorstokjes zijn die men wat beweegt!
ROB COLEMAN: (lacht) En het werkt perfect. Dat systeem werd gebruikt voor de verre shots. Voor de shots dichterbij worden er computergegenereerde mensen gebruikt, en ook echte mensen. We vragen ons bij elke sequentie af wat de beste manier is om het te doen. Traditioneel? Kan je een truc gebruiken zoals met die oorstokjes, of ga je naar de duurdere computer graphics? En de groep die de modellen maakte voor de film was heel groot. Net zoals de computergraphics groep, Maar het is zeker niet zo dat de hele film met computer graphics is gemaakt. Je kan nog steeds een digital backlot hebben waarin je fysische modellen plaatst. De stad van de koningin bijvoorbeeld, dat zijn allemaal modellen. De gebouwen zijn waarschijnlijk zo groot als deze stoelen, en de triomfboog waarschijnlijk 8 voet hoog.
MOVIE: Die stad is fantastisch mooi.
ROB COLEMAN: Oh ja. De supervisors en ik keken naar die beelden, en we zaten te lachen met het feit dat George zou zeggen waar zijn appartement moest zijn. Eén straat verwijderd van het centrale plein, en met een mooi zicht op de waterval.
MOVIE: Die waterval is trouwens gemaakt met zout.
ROB COLEMAN: Ja, het is zout. (uitbundig en nog steeds verwonderd) Ik weet het! Ik zal je een echte anecdote vertellen. Ik was niet betrokken met dat shot, tot helemaal op het einde toen we een aantal zeemeeuwen em andere vogels toevoegden. Ik had dus nog geen shots gezien. En toen ik het zag was ik sprakeloos. Het is één van mijn meest favoriete shots van de film, dat helikopter shot waarbij je naar het paleis kijkt. En ik vroeg dus, euh die waterval, is dat met een particle system gedaan? Neen met zout. Wat! Gewoon zout. Ik had er geen idee van, en het ziet er beeldschoon uit.
MOVIE: Over welk shot bent u het trotst?
ROB COLEMAN: Wel,.. god... (lange pauze). Waarschijnlijk die scène... wel, in het algemeen ben ik trots dat de karakters beschouwd en bekritiseerd worden als acteurs. De mensen houden van of haten bepaalde karakters, maar ze zeggen nooit dat de animatie slecht is, maar wel, 'ik haat dat karakter'. Begrijp je wat ik wil zeggen? Ze zeggen niet dat het slechte animatie is. En mensen vragen mij of ik daardoor ontzet ben. Neen, helemaal niet. Ik neem dat zelfs als een compliment, want ze reageren alsof het om een acteur ging zoals Ewan, Liam of Natalie. Ze houden al dan niet van bepaalde karakters, gebaseerd op de acteerprestatie. Ze zeggen niet dat bepaalde zaken niet echt of artificieel lijken. En dat is geweldig. En trouwens, hoeveel films kan jij opnoemen waarin je van elk karakter hield? Moeten we echt van elk boek, elke film, elk gedicht of lied houden? Neen. Maar mensen reageren nu van, 'dat Jar-Jar karakter is irriterend'. Hey, ik kan je karakters in andere films opnoemen waarvan ik ook niet hield. Maar het doelpubliek, de kinderen van 9 tot 15 or whatever, daarheb ik nog geen slecht woord van gehoord.
MOVIE: Wel, ik ben nu 31, maar 16 jaar geleden hield ik hier dus van.
ROB COLEMAN: Inderdaad. Ik zeg altijd, het is voor de jongeren, en voor hen die nog jong van geest zijn. Ik ken 60-jarigen die ervan hielden, en ik ken zes-jarigen die ervan hielden. Als je naar de cinema gaat, dan wordt je heel even weggenomen, en geniet je twee uur van een andere wereld. Als je alles begint te analyseren, en dan mis je de hele bedoeling.
MOVIE: Toen de trailer voor het eerst uitkwam, wel, iedereen had daar zolang op gewacht, en ze reageerden als gekken. Hoe reageerden jullie bij ILM daar op?
ROB COLEMAN: Wel, het gaf mij eerlijk gezegd hartproblemen. Het was op dat ogenblik dat ik besefte hoezeer de wereld op deze film zat te wachten. Ik probeerde het van mij af te zetten, ik moest wel. In het begin had ik een heel zenuwachtige maag en zo, ik zat er echt mee in dat ik iedereen ging teleurstellen, en dat ik de job niet aankon. Ik zette het dus van mij af, en George Lucas werd voor mij mijn enig publiek. Als ik hem gelukkig maakte, dan was het zijn verantwoordelijkheid om de wereld gelukkig te maken. Maar toen de trailers uitkwamen werd het duidelijk dat de wereld zat te wachten, dat ze geïnteresseerd waren.
MOVIE: Wel, ik heb de eerste trailer onmiddellijk van het internet gehaald. En ik heb zelf mijn verlof zo geplaatst zodat ik op dat ogenblik in Canada was. We stonden vijf uur aan te schuiven voor de eerste voorstellingen, en wel...
ROB COLEMAN: Was iedereen kalm?
MOVIE: Wel, kalm in de zin dat de sfeer zeer positief was, maar wel zeer opgewonden. Het was een enorme ervaring om daar op dat ogenblik te zijn. Wat denk u van de toekomst? Hoe gaat dat nu evolueren, met die digital backlot?
ROB COLEMAN: Ik denk het mensen zal mogelijk maken om periodedrama's te maken. Je kan de digitale technologie gebruiken en Brussel of Antwerpen of om het even welk ogenblik in de geschiedenis maken, en mensen zullen er geen idee van hebben dat het een digital backlot is. Want je kan de gebouwen gebruiken die 1000 jaar geleden reeds bestonden, en je kan de nieuwe gebouwen wegschilderen. Je voegt dan mensen toe in de juiste kostuums. Je kan de dokken in Antwerpen niet bouwen, en al die galjoenen die de haven binnenvaren. Weet je? Je kan je niet veroorloven om dat te doen, maar je kan het wel digitaal doen.
MOVIE: Speciale effecten zijn een gewoon hulpmiddel geworden?
ROB COLEMAN: Ik denk het wel ja. Het is ook kosten-effectief geworden. Want de technische dingen die je nu op een pc thuis kunt doen, lijken sterk op wat wij doen met onze computers, waarvan de meeste mensen denken dat het supercomputers zijn. Mijn eigen Powerbook is krachtiger dan mijn computer die ik op het werk heb staan! Het gaat niet om de kracht van de computers, maar om de kunst, het talent. Mensen vragen mij steeds welke machines we gebruiken, en welke rekenkracht we hebben. Wel, dat heeft er wel een beetje mee te maken, maar het is vooral het talent van de mensen die ermee werken.
MOVIE: Is het moeilijk om mensen te vinden, want iedereen wil het tegenwoordig doen?
ROB COLEMAN: Iedereen wil het doen, maar je moet mensen vinden die technologie verstaan en ze kunnen gebruiken.
MOVIE: Moeilijk te vinden dus.
ROB COLEMAN: Inderdaad.
MOVIE: Is iedereen in ILM nu aan het vechten op aan Episode II te mogen meewerken?
ROB COLEMAN: Voor Episode I hebben we er bewust voor gezorgd dat iedereen die aan de film wilde meewerken, ook kon meewerken. We werkten met een roulatiesysteem, want we deden Wild Wild West en The Mummy op hetzelfde ogenblik. Drie grote films dus en nog enkele kleintjes. Maar iedereen die naar ILM was gekomen om aan Star Wars te werken had de kans om dat ook te doen.
MOVIE: Wel, het is altijd mooi als iemands droom uitkomt.
ROB COLEMAN: Inderdaad.
MOVIE: Wat gaat u zeggen bij de oscars?
ROB COLEMAN: Oh (lacht). Laten we maar niet vooruitlopen. Wel, ik ga mezelf nu niet verbranden door iets te zeggen. (lacht)
MOVIE: Maar het zal wel gebeuren.
ROB COLEMAN: Bedankt. Dat stel ik op prijs. Bedankt!.
MOVIE: Met wat bent u nu bezig?
ROB COLEMAN: Episode II. Ze zijn juist begonnen.
MOVIE: En ga je daarna Episode III doen?
ROB COLEMAN: Wel, dat zien we dan wel. Kom me terug opzoeken binnen twee jaar, en we zien wel of ik dan nog leef. (lacht)