Aan helden geen gebrek in Hollywood. Het from zero to hero-verhaaltje doet het nog altijd goed. Met Gladiator krijgen we een soort anachronistische Rambo in de strot geduwd: het epische verhaal van een in wezen goed mens die ten onrechte beschuldigd wordt en er dus alles aan moet doen om zijn ongelijk te bewijzen. Nieuwbakken megaster Russell Crowe kruipt in de huid van een kruising tussen Clint Eastwood en Charles Bronson, en komt alleszins als grote overwinnaar uit deze prent. In Amerika goed voor een glansrijk succes: een opening van 35 miljoen, na enkele weken vlotjes over het budget van 103 miljoen heen en vorige week de muur van de 150 miljoen dollar gekraakt.
De held van dienst is generaal Maximus (Russell Crowe), die als een machtig Romeins legeraanvoerder er juist zijn laatste triomf heeft opzitten. Voor de Keizer uit Rome, Marcus Aurelius, hakte hij de laatst overgebleven Germanen in de pan. Maximus wil nu nog maar één ding: zich in alle rust terugtrekken bij zijn vrouw en kind in Spanje. De Romeinse Keizer is echter stervende en wil de macht aan Maximus overdragen. Het spreekt voor zich dat dit tegen de wil is van Aurelius' natuurlijke - maar incompetente en corrupte - zoon Commodus (Joaquin Phoenix): in woede ontvlamd, vermoordt die zijn vader én de vrouw en het kind van Maximus. In één klap verkoopt hij Maximus als slaaf en laat hij Rome onder het juk van een dictatuur kraken.
Na enkele omzwervingen in Noord-Afrika wordt Maximus verkocht aan ex-Gladiator Proximo (Oliver Reed), een soort Don King avant la lettre, die wedstrijden regelt waarin slaven, tot vermaak van het volk, in een arena op leven en dood vechten. Ook Maximus moet de dodelijke ring in. Terwijl hij een uitstekend Gladiator blijkt, begint hij in te zien dat dit zijn enige kans is om zijn wraak op Commodus te voltooien. Die organiseert, onder het motto 'Brood en Spelen' immers een 150 dagen durend tornooi in het Coliseum van de hoofdstad. Maximus trekt er heen en begint aan een gevecht op leven en dood: de democratie in Rome laten overwinnen en Commodus eigenhandig klein krijgen.
Gladiator betekent eindelijk nog eens een succes voor Ridley Scott, de geniale Brit die met Alien en Blade Runner twintig jaar geleden filmgeschiedenis schreef. Midden jaren negentig leek hij met de drie megaflops Conquest of Paradise, White Squall en GI Jane op zijn pijnlijk retour, maar Gladiator (en straks wellicht ook Hannibal, de Silence of the Lambs-sequel) tilt hem weer op het hoogste schavotje. Nochtans waren de opnames voor de film niet zonder problemen verlopen. Eerst moesten DreamWorks en Universal in een monsterverbond de handen in elkaar slaan om gezamenlijk 103 miljoen dollar op te hoesten en toen dronk, enkele weken voor het einde van de opnames, Oliver Reed zich in Malta dood. Het scenario, dat sowieso al niet zo stabiel was gebleken, moest nog maar eens worden herschreven. En de computergoochelaars mochten met wat knip- en plakwerk een digitale Reed op het scherm laten dansen, net zoals in 1994 met Brandon Lee in The Crow gebeurd was. Toch wel indrukwekkend.
De prent opent fenomenaal. De camera verzinkt in het ruige gevecht dat de Romeinen en Germanen in de donkere bossen voeren. Vuurpijlen gieren door de onheilspellende lucht en de imposante legers moorden elkaar uit. De eerste filmische gevechtscènes in vijf jaar die Braveheart kunnen toppen: met het megalomane enthousiasme waarmee Cameron de Titanic deed zinken, laat Scott hier het strijdperk in vuur en vlam ontbranden. Vreemd genoeg hebben we het spectaculairste dan al achter de rug, want wat zich later in de stadions afspeelt, moet in alle opzichten de duimen leggen voor de proloog, een handvol digitale bengaalse tijgers ten spijt. Wat we daar zien moet qua spektakelwaarde ook onderdoen voor de imposante grandeur van klassiekers als Ben Hur (1959) en Spartacus (1960). Gladiator zelf is overigens een soort halve remake van Fall of the Roman Empire uit 1964.
Ook plotsgewijs loopt er één en ander spaak in Gladiator. Na het overweldigende begin verdwijnt alle vaart uit de film en krijgen we - in afwachting van de final battle - een opeenstapeling van saaie en lange gesprekken. De karakters die het witte doek bevolken zijn tot overmaat van ramp niet de meest interessante: de oude Keizer Marcus Aurelius (gauwe ouwe Richard Harris) sterft jammergenoeg al na een kwartier, en dus houden we een stelletje eendimensionele bordkartonnen typetjes over: de onnozele en irritante sul Commodus, de mooie maagd Lucilla, en de senator met het goeie hart, Gracchus (waarvoor Derek Jacobi nog eens van stal werd gehaald). Ook Maximus blijft van alle diepgang gespaard, maar dat zal vooral Australiër Russell Crowe (vorig jaar nog een oscarnominatie voor The Insider) een zorg wezen. Zijn broodje is met deze film gebakken. Is het niet om zijn vermeende romance met lesbienne Jodie Foster, dan wel om het prijskaartje dat ná Gladiator zijn hals siert: 15 miljoen dollar.
Het verdict? Genuanceerd, zoals meestal. Groots en imposant wat het decorum betreft, af en toe adembenemend qua actie en gevechten, maar alleszins ondermaats wat het verhaal aangaat. Veel bloed, maar weinig hart. Maar al bij al: toch maar de duim de lucht in. Voor brood en spelen.
Genre: Drama
Speelduur: 2u30
Regisseur: Ridley Scott
Acteurs: Russell Crowe, Joaquin Phoenix, Connie Nielsen, Oliver Reed, Richard Harris