PORTRET JERRY BRUCKHEIMER

Als een bliksemschicht

Zijn eerste wagen was een Plymouth uit 1957. Met open dak. En pas na heel lang sparen gekocht. Maar het kan verkeren. In zijn laatste film, Gone in Sixty Seconds, laat Jerry Bruckheimer een heel wagenpark in de prak rijden en moet hij niet langer op een dollar meer of minder kijken. Bijna dertig jaar zit hij nu al in het vak en blockbusters als Flashdance, Beverly Hills Cop, Top Gun en The Rock gleden onder zijn alziend oog over de projector. Maar nog steeds doet hij het met heel veel plezier: produceren. Het meest vage beroep dat er bestaat.

Tsja, want wat doét een producer eigenlijk? Volgens de Producers Guild of Amerika exact 26 dingen, gaande van het inhuren van regisseur, cast en componist, over het beheren van het budget, het bepalen van de final cut, tot de keuze van het lettertype waarin de aftiteling over het scherm zal rollen. Beetje idealistisch als je het ons vraagt, want met al die eigenwijze regisseurs en acteurs zal het best wel wat complexer liggen dan dat. Oscar Hammerstein, de mentor van Stephen Sondhein, verwoordde de definitie van een producent ooit zo: 'An idealist, a realist, a practical dreamer, a sophisticated gambler and a stage-struck child.'

Waar hij zijn overvolle dagen dan ook exact mee mag vullen, Jerry Bruckheimer doet het goed. Niet altijd volgens de critici (hij kreeg vorig jaar zelfs een Razzie Award voor Armageddon, die werd uitgeroepen tot slechtste film van het jaar), maar beslist wél volgens het publiek (twee jaar geleden kreeg hij een speciale prijs in de categorie International Box Office Achievement). Het publiek is dan ook heilig voor Bruckheimer: steeds opnieuw wil hij ze in vervoering brengen, wil hij ze laten wegdromen in een wereld die ze niet kennen. Vandaar ook zijn steeds terugkerende one-liner: 'We are in the transport business. We transport audiences from one place to another.' En Bruckheimer hanteert daarvoor maar één credo: dat van de mokerhamer. Zijn mantra luidt: groot, groter, grootst. En als dat niet lukt: duur, duurder, duurst. Disney kan het weten. De studiobonzen zitten momenteel met klamme handen af te wachten wat de uiteindelijke productiekosten van Jerry Bruckheimers laatste project, Pearl Harbor, zullen worden. De Grote Muis hoestte voor de nieuwe oorlogsfilm van Michael Bay 145 miljoen dollar op, het hoogste startbedrag ooit, maar volgens geruchten zou de uiteindelijke kost van de film veel hoger liggen.

Maar er was een tijd dat Bruckheimers intussen beroemd geworden bliksemschicht het witte filmdoek nog niet in tweeën spleet. Begin jaren zeventig werkte hij in zijn thuisstad Detroit als reclamefilmer. Een parodie op Bonnie and Clyde voor Pontiac bleef niet onopgemerkt en zo kon hij op zijn drieëntwintigste het vliegtuig naar New York nemen, waar hij op Madison Avenue reclamefilms ging produceren. Tot hij de smaak echt te pakken kreeg en vier jaar later naar Hollywood trok, waar hij twee films maakte met Paul Schrader: American Gigolo (1980) en Cat People (1982), respectievelijk met een jonge Richard Gere en nóg jongere Nastassja Kinski. Maar Bruckheimers magische jaar was 1983, toen hij Flashdance produceerde, zijn eerste film die in de Verenigde Staten de magische grens van de honderd miljoen dollar aan diggelen plofte. Flashdance lanceerde niet alleen de carrières van regisseur Adrian Lyne, scenarist Joe Eszterhas en actrice Jennifer Beals, ook Jerry Bruckheimers broodje leek gebakken. De film betekende ook Bruckheimers eerste samenwerking met Don Simpson, de extravagante producer met wie hij veertien jaar een onafgebroken team zou vormen. Tot Simpson begin 1996, tijdens de productie van The Rock, in Los Angeles aan een overdosis stierf. Het duo had op dat moment samen vijftien oscarnominaties op hun naam staan.

Na Flashdance uit 1983 veranderde zowat elke film die Jerry Bruckheimer met de vinger beroerde in goud. Met Beverly Hills Cop I en II (1984 en 1987) lanceerde hij de carrière van Eddie Murphy. Met Top Gun (1986) en Days of Thunder (1990) maakte hij een ster van Tom Cruise. Tegen het midden van de jaren negentig had hij het fenomeen blockbuster opnieuw uitgevonden. Niet zelden werden zijn megalomane actiefilms door de filmcritici nogal smalend bekeken, maar het publiek bleef komen. Wat Bruckheimer deed besluiten dat wanneer 'critics don't like popular entertainment, they shouldn't be reviewing it.' Maar het publiek wist Bruckheimers gouden formulefilms vol escapisme wel te smaken. Bad Boys bracht 140 miljoen op, Crimson Tide 160 miljoen, Con Air 200 miljoen en The Rock 325 miljoen.

Had Jerry Bruckheimer toen zijn hoogtepunt bereikt? No way. Om nog beter te doen dan de 325 miljoen van The Rock, ontbond hij in 1997 al zijn duivels en blies hij Armageddon op tot de proporties van een nooitgeziene event movie die zelfs de hype van Godzilla overtrof. Met een wereldpremière in het Kennedy Space Center stoomde de prent door naar een wereldwijde opbrengst van 500 miljoen dollar. De film werd hét voorlopige summum van de grootheidswaanzin waar de producer aan lijdt. Tot in het kleinste detail droop het geld van het scherm. Het leverde een film op die verstikte in zijn eigen narcisme, maar wel als een buldozer over het publiek rolde.

Armageddon betekende voor Bruckheimer, na Bad Boys en The Rock, de derde samenwerking met ex-reclame en videoclip-regisseur Michael Bay, met wie hij een prima verstandhouding heeft. Niet voor niets sloeg het tweetal de handen weer in elkaar voor Pearl Harbor, het epische verhaal van twee jonge piloten die verliefd worden op dezelfde verpleegster, terwijl ze hun leven op het spel moeten zetten tijdens de oorlog. Met Michael Bay achter de megafoon, Ben Affleck, Alec Baldwin, Kate Beckinsale en Cuba Gooding, Jr. in de cast en de marketingmachine van Disney achter de hand, heeft de film alles om weer een blockbuster van formaat te worden. De zoveelste triomf van Jerry Bruckheimer, producer van beroep.