Verbeeldingskracht, daar draait het in het artistieke hoekje van de filmwereld allemaal om. Dat en een hoop praktische en financiële beslommeringen. De eenzaten die na een film rustig de eindgeneriek uitzitten weten dat de monstermakerij-business door een handvol artiesten gerund wordt. Het zijn de makers van legendarische creaturen die meer dan eens in nachtmerries zijn terechtgekomen.
De grootste levende legende is ongetwijfeld H.R. Giger, de bizarre artiest die met zijn alien uit de gelijknamige film van 1979 misschien wel de moeder van alle ruimtemonsters uit zijn verwrongen geest toverde. Het dodelijke maar tegelijkertijd verbluffend elegante monster werd twintig jaar geleden tot leven gebracht door Bolaji Badejo in een rubberen pak, terwijl de Italiaan Carlo Rambaldi het mechanisme van het volwassen hoofd ineen stak. Rambaldi zou jaren later voor Steven Spielberg de E.T. mee helpen onwerpen, en daarmee miljoenen kindertranen doen rollen. In de door James Cameron geregisseerde vervolgfilm Aliens werd de taak van Giger en Rambaldi grotendeels overgenomen door Stan Winston en zijn team.
Winston had pas een ander legendarisch wezen tot leven gebracht: de Terminator, en zou later ook nog furore maken met zijn ontwerp voor de Predator, en zijn enorme robotten voor Jurassic Park. Uit zijn stal komen ook Alec Gillis en Tom Woodruff Jr. die later de rest van de Alien-films onveilig zouden maken.
De grootvader van alle monstermakers is natuurlijk Dick Smith die onder meer in The Exorcist, Altered Staes en The Hunger de mens als basis gebruikt voor zijn buitenwereldse creaturen. Onder zijn vleugels kwam Rick Baker naar voor als zijn grote opvolger. Zijn grote specialiteit zijn levensechte gorilla's. Maar met The Nutty Professor serie heeft hij zich terecht in onze monsterlijst genesteld. Zijn grootste monster dat hij ooit geschapen heeft is naar eigen zeggen echter een andere fx-wonder: Rob Bottin, die met The Thing uit 1982 misschien wel de meest weerzinwekkende monsters op het grote scherm toverde. Creaturen die na 20 jaar nog steeds niet aan kracht hebben ingeboet.
In het kleizog van het Duitse blockbuster-team Ronald Emmerich en Dean Devlin kwam er echter in de jaren '90 een nieuwe wonderkind richting Hollywood gevlogen. De Fransman Patrick Tatopoulos besloot in 1989 alles op alles te zetten en trok met zijn schetsenboek richting Hollywood. Hij kreeg er onmiddellijk werk bij Makeup Effects Lab (MEL), en wist na enkele films en wat ontwerpwerk voor Eurodisney de spelletjesadaptatie Super Mario Bros. binnen te halen. Later werkte hij nog ondermeer aan Bram Stoker's Dracula en Last Action Hero vooraleer hij de aandacht trok van Emmerich en Devlin.
Stargate zou zijn eerste samenwerking worden met het succesrijke duo, en later ontwiep hij voor hen nog de aliens uit Independence Day en Godzilla. Voor Alex Proyas ontwierp hij ook de bizarre wereld in Dark City vooraleer hij voor regisseur David Twohy de lichtschuwende monsters uit Pitch Black mocht bedenken. In zijn studio verzon hij met zijn team en na heel wat designwijzigingen de dodelijke monsters die enkel in het duister hun prooi opzoeken. Na een ontwerpperiode van twee maanden (en beperkt door een zeer gelimiteerd budget) werd een maquette gemaakt en opgestuurd naar Twohy die in Australië de film zou gaan opnemen. De uitwerking van de monsters zelf moest hij overlaten aan de Australische firma John Cox's Creature Workshop dat enkele jaren geleden nog een oscar won voor hun animatronics-wonderen in Babe.
Twee levensgrote poppen werden gebouwd om op de set te gebruiken, maar toen de computeranimatie beter bleek dan werd verwacht werden heel wat shots enkel gebruikt als referentiemateriaal voor het pas opgerichte Londense computeranimatiehuis Double Negative. Met een team van 33 mensen begonnen zij onder leiding van Peter Chiang aan de postpoductie, terwijl ze nog tijdens de montage het model en de manier van bewegen perfectioneerden.
De monsters mogen dan nog grotendeels digitaal en dus in realiteit onbestaand zijn, het ruimteschip waarmee de ongelukkig reizigers op de planeet neerstorten is echter pure realiteit. Maar dan wel op een schaal van één op zesendertig. Het schip moest gebruikt worden om de energieke opening van de film zo waarheidsgetrouw mogelijk in beeld te brengen, en vermits je bij een crash van een miniatuur meer toevallige brokken kunt maken werd de computergegenereerde optie aan de kant geschoven. In de computer bestaat toevalligheid immers enkel als je die er zelf in programmeert.
Het schip werd gebouwd door de gespecialiseerde firma Hunter/Gratzner Industries. Omdat het budget dus beperkt was, en het goedkoper is om bogen en curves zoveel mogelijk te vermijden bij setdesign werd beslist om het ruimteschip zo hoekig mogelijk te maken. Zo konden cockpit en de overgebleven container op de planeet relatief goedkoop in elkaar getimmerd worden. Het neerstortend ruimteschip werd gefilmd aan hoge snelheid. Bij het projecteren van de film aan normale snelheid (24 beelden per seconde) worden alles vertraagd zodat je een groter gevoel van massa krijgt. Het is een truc die door zowat elke miniatuurbouwer wordt gebruikt. Opmerkelijk is ook dat de crash niet van buitenaf gefilmd werd, zoals in heel veel sciencefictionfilms. Ook hier is de reden weer hoofdzakelijk geld. Een realistische crash met modellen op een planeet nabootsen had immers een veel te grote hap uit het al beperkte budget opgeëist. Het resultaat vanuit de cockpit gefilmd mag er dan ook zijn. Regisseur David Twohy was zo tevreden over het werk dat de miniatuurbouwers hadden geleverd dat hij in de film zelf een klein eerbetoon maakt aan de firma: de naam van het ruimteschip wordt in de film éénmaal genoemd: Hunter-Gratzner. Benieuwd hoeveel mensen in de zaal zullen beginnen grinniken....